
“Het gebeurt de laatste jaren herhaaldelijk dat een renner in de Tour de France of een andere grote koers zijn fiets, die door een valpartij of pech tijdelijk onbruikbaar is geworden, kwaad in de berm flikkert. Het ergst maakte Jan Ullrich het eens toen hij zijn Pinarello tijdritfiets na pech oppakte en die als een frisbee over een heg zwiepte. Een fiets nota bene met een waarde waarvoor je een aardige auto uit de middenklasse kunt kopen. Het irriteert mij als ik dat zie, want zo ben ik niet opgevoed. Voor u mij gaat betichten van ouwelullenpraat wil ik in een artikel waar ‘Andere tijden’ boven staat dat toch wel even toelichten. In mijn beginjaren als wielrenner moest ik alles zelf betalen en omdat ik niet over een dikke portemonnee beschikte, leerde ik zuinig met mijn materiaal omgaan en probeerde ik zo veel mogelijk zelf te doen om de kosten laag te houden. Ook lekke tubebandjes ...
... repareerde ik en meestal spaarde ik ze op om ze op een regenachtige dag, als er niet getraind kon worden, een voor een weer bruikbaar te maken. Hoe ik dat moest doen, leerde ik ooit van ome Jan.
Wijze lessen
Ome Jan Tulleken was een van de oprichters van H.S.V. De Kampioen, mijn wielervereniging en in zijn wielertijd – zeg maar de eerste vijftien jaar van de vorige eeuw - een absolute kanjer. Hij was enkele malen Nederlands kampioen en op de tandem vormde hij als stuurman (foto) enige tijd een onverslaanbaar duo met de legendarische Jaap Eden. Na zijn carrière had hij op de statige Parklaan in Haarlem een armetierig ogend werkplaatsje, waar hij fietsen repareerde en waar ik als jong rennertje vaak binnenstapte om wat van het voormalige wielericoon te leren. Niet alleen over het wielrennen zelf, want ome Jan had altijd wijze lessen, maar ook over het onderhoud van je fiets en hoe je nou precies een tubebandje repareert. In het werkplaatsje was het altijd een ontzettende troep en als je ome Jan daar doorheen zag scharrelen, dan leek hij nog het meest op Malle Pietje uit Swiebertje met hetzelfde gemompel en gemopper als er weer eens iets omviel. ‘De betere bandjes zijn van Italiaans fabrikaat’, zei hij altijd knorrig, als hij - om het mij te leren - aan het repareren van mijn niet-Italiaanse bandje begon.
Aflopers
‘Openmaken doe je zo’, begon hij altijd, ‘want de binnenband zit helemaal opgesloten in de buitenband.’ Hij pulkte het stootlint, dat over de aan elkaar genaaide helften zit geplakt, over een kleine 10 centimeter los om bij het stiksel te komen. Vervolgens tornde hij met een scheermesje voorzichtig de draadjes los en trok dan door de ontstane opening de binnenband er voorzichtig een stukje uit. Dan pompte hij er wat lucht in en duwde de aldus ontstane bobbel in een bakje lauw water. Meestal was het lek gauw gevonden, maar als het om een afloper ging (een langzaam leeglopende band, Red.) was het lek soms moeilijk te vinden. Zoals gezegd had ome Jan engelengeduld, maar als hij na lang zoeken het lek nog niet had gevonden, werd-ie kwaad. Dan pakte hij een grote schaar en knipte de binnenband driftig in tweeën om het kreng vervolgens met een ruk uit de tube te trekken. Dan werd een nieuwe binnenband gepakt en er voorzichtig in geregen. Voor het aan elkaar vulcaniseren van de twee uiteinden had hij een ingenieus apparaatje dat ik later van hem heb gekregen. Ik geloof echter niet dat ik het ooit heb gebruikt.
Niets weggooien
Of het door de wijze lessen van ome Jan kwam weet ik niet, maar ik ben in mijn hele loopbaan als wielrenner zuinig met mijn fiets en materiaal om blijven gaan. Als er op de onderste ring van het balhoofdstel, door het koersen op kasseien, inslagputjes waren ontstaan, snuffelde ik in zijn werkplaatsje net zo lang in de afvalbak tot ik een exemplaar van het bewuste ringetje had gevonden en wist ik zo’n minuscuul onderdeeltje meestal weer geschikt te maken voor een tweede leven. In diezelfde afvalbak vond ik eens een gebroken frame, waarvan ik een crossfiets heb gemaakt. Over de gebroken buis soldeerde ik met een zilverlegering een koperen mof en hoe ik het kader ook belastte, het zat goed vast. Er werd hard gelachen toen ik er mee aan de start verscheen, maar de andere renners lachten niet meer toen ik na afloop, op mijn aan elkaar gelaste fietsje en met de bloemen, een ererondje reed. Ik heb in mijn reparatiewoede ook wel eens twee gebroken achterassen aan elkaar gelast. Met weinig hoop begon ik eraan, maar het lukte wonderwel en ‘weggooien kan altijd nog’, leerde ome Jan mij.
Lange preek
Een nieuwe ketting monteren betekent vaak dat de tandwielkransjes doorslaan. Ook daar heb ik wat op gevonden. Met een hamer plette ik dan ieder tandje van het tandwiel en meestal was het probleem dan opgelost. Pas toen ik me financieel wat meer kon veroorloven, ben ik met dat geknutsel gestopt en kocht ik het onderdeel dat ik nodig had nieuw. Helemaal genezen van die zuinigheidswaanzin ben ik echter niet. Mijn schuurtje puilt nog steeds uit met alles wat wielrenners doorgaans weggooien. Als ik mijn vrouw zuchtend door de achterdeur hoor binnenkomen, omdat ze door al die troep haar fiets haast niet kan pakken, weet ik dat ik een lange preek moet aanhoren, die er op neerkomt dat een mens niet alles kan bewaren en dat weggooien geen zonde is. Op de dag dat de vuilnisman komt helpt ze me altijd met het naar buiten dragen. Niet omdat ik dat niet alleen kan, maar omdat ze vreest dat ik onderweg naar de stoeprand spijt krijg en de rotzooi terug in het schuurtje mieter. Als ik, met het gerammel van de naderende vuilniswagen in mijn oren, nog even naar die troep kijk, hoop ik altijd dat ome Jan het me daarboven zal vergeven. (Foto: archief dewielersite.net)
Tot volgende week!”
Jan van der Horst



