ad ad ad ad

Uit de ordners van Jan …

 

“Op 26 januari 1928 werd de Nederlandse Wieler Unie (NWU) opgericht als opvolger van de Nederlandse Wieler Bond. De NWB was in 1898 opgericht nadat de ANWB had besloten zich niet meer met de wedstrijdsport te bemoeien. De NWB kende moeilijke eerste jaren. Al spoedig leek de bond failliet te gaan, maar wist zich uiteindelijk toch te handhaven. De NWB organiseerde gedurende ruim twintig jaar wedstrijden op de baan en de weg en verleende tegen betaling jaarlijks wedstrijdlicenties aan actieve renners. In 1928 verzuimde het bestuur van de NWB tijdig de …

… goedkeuring aan te vragen voor de verlenging van de statuten en door die fout verbrak het Nederlandsch Olympisch Comité (NOC) de samenwerking om direct in zee te gaan met de net opgerichte NWU, die wel tijdig die goedkeuring had aangevraagd. Op 23 maart 1952 kreeg de NWU het predikaat Koninklijk en de KNWU is sindsdien de overkoepelende organisatie in Nederland voor alle wielrenners en wielerverenigingen. In 1988 bestond de KNWU zestig jaar. De viering van dit jubileum bleef beperkt tot de productie van een Bulletin-Special. Volgens de redactie accentueerde dit product op een waardige wijze het jubileumjaar. De redactie bestond uit Pieter Hubert, Jaap Klokkemeijer, Frank Buddels en Ad Nuijten, die samen met gerenommeerde medewerkers als Otto Beaujon, Rob van den Dobbelsteen, Joop Holthausen, Rob Kat, Henk Kruithof, Piet van der Molen, Peter Ouwerkerk, Frans van Schoonderwalt, Mart Smeets en Gijs Zandbergen in oktober 1988 een uniek collectors item publiceerden.  

Bladerend viel mijn oog direct op het interview van Gijs Zandbergen met Tim Krabbé. ‘Wielrennen en literatuur’ was het uitgangspunt van hun gesprek. Tien jaar daarvoor was Tim’s boek De renner verschenen en dat werk was anno 1988 nog steeds in de boekwinkels te koop. ‘Vorig jaar zijn er van een goedkope herdruk zoveel verkocht aan nieuwe lezers, dat ik nu toch heus ga denken dat het een klassieker is geworden’ zegt Krabbé in het interview. ‘Het schrijven van het boek nam drie maanden in beslag.’ Het wielerboek dat de meeste indruk op Krabbé had gemaakt was Het dagboek van Maarten Ducrot, over de Tour de France van 1987. ‘Ducrot is net laat genoeg aan de wielersport begonnen om afstand te kunnen nemen en rijdt op een niveau om veel mee te maken. Zijn dagboek heeft sporen van haast, maar daarvoor is het een dagboek. Hij kreeg veel kritiek van sportjournalisten. Laat het een troost voor hem zijn dat Joop Zoetemelk en ik het hebben gelezen en goed bevonden, ook al staan er geen plaatjes in. Was ik Maarten Ducrot, dan had ik nog veel meer beleefd, en zou ik misschien nog beter over wielrennen kunnen schrijven.’ Krabbé zegt verder nog: ‘Het mooiste boek over wielrennen moet nog geschreven worden. Het ideale, perfecte boek zou zijn om een bepaalde koers te nemen en om dan vanuit het perspectief van elke renner het verhaal over die koers te laten beschrijven. Het moet wel een belangrijke wedstrijd zijn, maar ook niet weer té. Bijvoorbeeld een Belgische semi-klassieker. Helaas is zoiets technisch niet te verwezenlijken. Honderdvijftig keer twee pagina’s om een renner te karakteriseren, een verteltrant te geven en hem iets over de wedstrijd te laten zeggen, dat is niet te doen voor één persoon.’ Wat is dan het op één na beste boek? ‘De held van de Cauberg van Piet van As, omdat het zo mooi is!’  Ik ken het boek niet maar misschien heeft Wim van Eyle het op de boekenplank liggen en zou Fred het uit 1947 stammende jongensboek over de avonturen van Rik Smeets eens kunnen recenseren op donderdag.

Erg lezenswaardig is ook het verhaal over de Rotterdamse Diny Brinkman. Negen jaar begeleidde de echtgenote van Manus de Nederlandse damestop tijdens onverzadigbaar lijkende zegetochten. Bella, Keetie, Cisca en Heleen Hage, Marijke Lagerlöff, Mini Brinkhoff, Tineke Fopma, Greetje Donker, Anne Riemersma en Willy Kwantes beheersten jarenlang de wereldtop. In 1988 noemde auteur Pieter Hubert het een glorierijke en nog nimmer herhaalde periode, want de namen van Leontien van Moorsel en Marianne Vos waren toen nog niet gevallen in de Nederlandse wielerwereld. Brinkman vertelt in het interview over 1964, het begin van het dameswielrennen in ons land. Dertig jaar was ze al toen een weddenschap haar op het smalle zadel zette. ‘Ik rookte nogal stevig en iemand bood me een paar prachtige schaatsen aan als ik ermee zou stoppen. Manus deed er nog een schepje bovenop en stelde mij een racefiets in het vooruitzicht. Ik gooide de sigaretten weg en begon als moeder van drie kinderen wedstrijden te rijden. Ja, op mijn dertigste. Dat maakte toen niets uit want je had maar één categorie bij de dames. Vanaf 16 jaar mocht iedere vrouw meedoen.’ In 1965 stapte Brinkman samen met Ineke van IJken naar de KNWU. Met twaalf vrouwen wilden ze zich als Nederlandse Dames Wielren Club bij de Unie aansluiten. Ze wilden meer wedstrijden en eigen kleedruimtes. ‘Je liep als jonge meid toch een risico wanneer je zomaar ergens aanbelde om te vragen of je je daar mocht omkleden.’ De sportcommissieleden Bas Goud en Adriaan de Schipper namen het voor de dames op en de aanzet werd gezet tot de volledige acceptatie van het dameswielrennen, dat in de afgelopen week haar voorlopig hoogtepunt heeft bereikt met de oprichting van een vrouwenploeg binnen het Rabobank Wielerplan.

Tot volgende week!”

Jan Houterman
 

Door Fred van Slogteren, 3 oktober 2011 10:00

De Held van de Cauberg

Bij een zolderopruiming in het oude huis kwam dit boekje te voorschijn. Vast een x gekregen aan het begin van mijn wielercarrière eind jaren zestig. Wie belangstelling heeft mag het zeggen. Bij mij verdwijnt het ws ergens achter in een boekenkast.
Geplaatst door Willy Wiersma Kwantes, 12 november 2017 13:20:12

Boekje

Beste Willy,ik zou het boekje wel willen hebben!
Geplaatst door HARRY HERMKENS, 15 november 2017 21:45:49

De Held van de Cauberg

Dag Harry, mijn emailadres is wiers954@planet.nl
Wanneer je je adres geeft stuur ik het naar je op. groet, Willy
Geplaatst door Willy Kwantes, 16 november 2017 18:14:26

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web