“Naar aanleiding van mijn stukje van vorige week, kreeg ik enkele
reacties die er op neerkwamen dat renners wel over doping praten, maar alleen als het om andere renners gaat. ‘Jij hebt toch ook een smetje achter je naam, Jan?’, kreeg ik te horen. Dat is waar en hoewel al 44 jaar geleden zijn er altijd mensen die zich dat nog herinneren. Daarom nu maar eens schoon schip gemaakt en hierbij mijn bekentenis met twee vingers in de lucht. Ik heb nooit doping gebruikt, maar ik heb in dat verband het wel eens op een akkoordje gegooid met de KNWU en daar heb ik nu nog spijt van. Het zat zo. Na het door mij behaalde Nederlandse kampioenschap bij de amateurs in 1966, moest ik met enkele andere renners naar de dopingcontrole in een speciaal daarvoor ingerichte tent onder toezicht van Dr. Baert. Wat mij betreft verliep het ritueel vlotjes en dat gold ook voor de anderen, met uitzondering van twee renners die er - ook na het drinken van liters water – niet in slaagden een plasje te produceren. Ze hadden wel aandrang, maar ze kregen er geen druppel uit omdat de ...
... dokter stond te kijken, was hun verweer. De arts toonde begrip en besloot de heren – tegen de regels overigens - de gewenste privacy te verschaffen door zich even te verwijderen. Al na enkele minuten hadden de twee het flesje vol, waarna de dokter de zaak volgens de regels kon afronden. Maanden later zat ik met de Nederlandse selectie in een trainingskamp voor het WK toen een daar aanwezige journalist me vroeg of het waar was dat ik na het Nederlands kampioenschap positief was bevonden? Omdat ik me van geen kwaad bewust was, verzekerde ik de man dat dat niet waar kon zijn omdat ik nog nooit doping had gebruikt en ook nooit had vernomen dat er iets mis zou zijn met de door mij afgeleverde plas. Ik vertelde het verhaal later aan de andere renners van de selectie en aan het voltallige bondsbestuur met wie we aan tafel zaten. Er werd smakelijk om gelachen en het werd afgedaan met: ‘Ach die journalisten, die roepen maar wat.’ De volgende morgen nam mr. Van Ballegoijen de Jong (foto), destijds de voorzitter van de sportcommissie van de KNWU, mij apart om te vragen of ik wel goed geslapen had. Op mijn verbaasde ‘hoezo’, zei hij dat het vermoeden van de journalist op waarheid berustte en dat hij dat al enige tijd wist. Ik reageerde fel en oprecht omdat ik me nooit met doping had ingelaten en ook niet van plan was dat ooit te doen. Of de voorzitter mij geloofde, weet ik niet, maar er werd besloten de zaak te laten rusten tot na het wereldkampioenschap. Kort na terugkeer in Nederland werd ik op het bondsbureau ter verantwoording geroepen. Voor de zekerheid had ik op eigen kosten een contra-expertise laten uitvoeren en mijn sponsor Caballero had voor mij een advocaat geregeld. Die had de stukken bestudeerd en kennis genomen van de dubieuze handelingen van de twee renners die door de niets vermoedende dokter even alleen waren gelaten. De advocaat stelde dat er ernstige procedurefouten waren gemaakt en dat er daarom van strafvervolging geen sprake kon zijn en de in het nauw gedreven KNWU-officials konden niet anders dan voorstellen de zaak dan maar in de doofpot te stoppen. Om gezichtsverlies te voorkomen vroegen ze aan mij of ik akkoord wilde gaan met een schorsing van twee maanden in de winter als er toch niet gekoerst werd. Ik voelde daar niet zo veel voor, want ik was tenslotte onschuldig, maar op aandringen van mijn raadsman ben ik er toch mee akkoord gegaan. Zo mocht ik twee wintermaanden lang nergens koersen. Niet erg natuurlijk, tot ik werd uitgenodigd voor de Zesdaagse van Amsterdam. Bang als de KNWU was dat het schandaal alsnog naar buiten zou komen, werd er iets geregeld zodat ik toch kon meedoen. Ook de kampioensmedaille met inscriptie werd mij niet onthouden en die bungelt sindsdien aan een kettinkje om mijn hals. Jaren later heeft één van die twee renners mij opgebiecht de boel te hebben geflest. Ik kan er nog kwaad om worden.
Tot volgende week!”
Jan van der Horst
Foto: archief T&T Tekst & Traffic
Steun onze actie!



