“Na me met Willem Dubois, Rini Wagtmans en Tiemen Groen het stront voor de ogen te hebben gereden in een ploegentijdrit over 100 kilometer, kon ik na afloop zelfs mijn sokken niet meer uittrekken. In die toestand kreeg ik van de KNWU de uitnodiging om deel te nemen aan de Ronde van Tsjecho-Slowakije. Op het laatste moment, want al de volgende dag werd ik met mijn fiets op de luchthaven verwacht. Het eerste deel van de reis naar Praag verliep soepel, maar daar moesten we overstappen naar de startplaats Bratislava en van die tocht wordt ik nog wel eens badend in het zweet wakker. Ongerust beklommen wij de oeroude kist en aan het raampje gezeten zag ik hoe een monteur ergens aan de vleugel nog wat moeren stond aan te draaien. Nadat de motoren waren gestart begon alles wat zich in het vliegtuig bevond hevig te trillen, de passagiers niet uitgezonderd. Toen de stewardess ons vervolgens een spuugzak kwam aanreiken had ik het echt niet meer. Ik wilde eruit, maar de start was al ingezet en er was geen weg meer terug. Eenmaal in de lucht zag ik overal om me heen hoofden in de kotszakken verdwijnen. Ik hield het lang binnen, maar door de ...
... stank van het braaksel verdween ook de inhoud van mijn maag golvend in de grauwe zak. Naast me zat Peter Heynig (foto), een renner uit Rotterdam. Ik kende hem nauwelijks, maar al tijdens die barre vliegreis leerde ik hem waarderen. Vooral zijn Rotterdamse galgenhumor trok me aan toen hij met het hoofd eerbiedig omhoog gericht devoot een kruis sloeg en dat beeld bij mij de misselijkheid verdreef, tot we lachend maar heelhuids uit het vliegtuig konden stappen. Een bus stond ons op te wachten en die bracht ons naar ons onderkomen. Dat was geen hotel, maar een meisjesinternaat, waar we als viriele branieschoppers zeker geen problemen over maakten. Nog diezelfde avond kreeg ik ‘verkering’ met de wondermooie Eva, een meisje waar ik nog jaren mee heb gecorrespondeerd. Overlopend van de moraal begon ik de volgende dag aan de ronde. Het was ook nog eens prachtig weer, maar dat duurde niet lang. De zon maakte plaats voor aanhoudende regen en dat zorgde met name in het Tatra gebergte voor spekgladde wegen, die meestal onverhard waren. De ene valpartij na de andere was het gevolg en met soms wel veertig man tegelijk smakten we tegen de grond. Ook de jeep van onze ploegleider liep averij op. Onder de schaafwonden haalden we de rustdag en Peter jammerde op z’n Crooswijks: ‘Dit is geen fietsen meer, dit is tyfusoorlog!’ Ik was het helemaal met hem eens en het liefst waren we naar huis gegaan. We zaten echter ergens aan de Russische grens en de treinverbinding naar Praag werd ons beschreven als zijnde een nog zwaardere beproeving dan de ronde waar we aan deelnamen. Geschaafd van top tot teen gingen we die avond naar bed. We lagen nog maar net toen ik Peter hoorde kreunen: ‘Nou moet ik nog zeiken ook, verdomme.’ Moeizaam kwam hij overeind om op de gang naar het toilet te gaan, maar bij de deur struikelde hij over de drempel en brak zijn enkel. Die werd diezelfde nacht nog in het gips gezet, waarna we ons afvroegen hoe het nu verder moest. Ik besloot om met Peter mee naar huis te reizen. Samen werden we op de trein naar Praag gezet, waar we na een hele nacht reizen ’s ochtends om vier uur arriveerden. Omdat het vliegveld ongeveer 15 kilometer verderop lag, probeerden we een taxi te krijgen, maar die waren, zoals zo veel in deze communistische heilstaat, net zo zeldzaam als eskimo’s in centraal Afrika. Na enig zoeken troffen we een in zijn vrachtwagen slapende chauffeur aan, die ons voor een vorstelijk bedrag wel even naar het vliegveld wilde brengen. Wij klommen met onze fietsen en bagage in de open laadbak, die vollag met varkenskoppen en vleesafval en de stinkende oude diesel vertrok richting airport. Onderweg begon het te stortregenen en drijfnat en rood van het varkensbloed kwamen we op het vliegveld aan. Na aldaar een cafetaria te hebben leeggevreten en de overgebleven waardeloze valuta te hebben verbrast, strompelden we dodelijk vermoeid, smerig en bloedroodgekleurd in het vliegtuig dat ons terug naar het kapitalistische westen zou brengen. De bloedmooie Eva uit Bratislava heb ik helaas nooit meer teruggezien, maar gelukkig heb ik haar foto nog. Als een souvenir van de Ronde van Tsjecho-Slowakije. (Foto: archief Wim van Eyle)
Tot volgende week!”
Jan van der Horst



