
“In de jaren vijftig en zestig was het stayeren nog een van de populairste nummers in de grote programma’s op de Amsterdamse stadionbaan. We hadden zelf een aantal goede stayers en verder kwamen de betere rolrijders voornamelijk uit België en Duitsland. De Fransen waren na jaren van heerschappij wat op de achtergrond geraakt en verder waren er nog wat Zwitsers en Italianen. De grootste van allemaal kwam echter uit …
… Spanje, een land waar nog nooit een stayer vandaan was gekomen. Zijn naam was Guillermo Timoner, een klein kalend mannetje dat achter de brede lederen rug van de Belgische gangmaker Gust Meuleman jarenlang de primus inter pares was. Zes keer – tussen 1955 en 1965 – werd hij wereldkampioen en hij reed altijd op dezelfde manier. Hij was een zogeheten slow-starter en na het moeizaam op gang brengen van die grote molen, zat hij meestal op de laatste plaats. Je zag hem dan een beetje wringen om in het ritme te komen. Dat was gallery-play, want hij vond de juiste cadans altijd direct als de koploper van het veld in zijn nek begon te hijgen om hem te dubbelen. Dan leek hij even te kraken, maar dan was daar plots die soepele pedaaltred en die versnelling. Meuleman keek dan steeds bezorgd achterom om te controleren of dat kleine kereltje nog wel aan de rol zat. Dat had hij net zo goed kunnen laten, want de man van Mallorca zat aan de rol gekleefd als een alcoholist aan zijn zoveelste glas. Hij schoof dan moeiteloos een paar plaatsen op, nam dan even rust, om in de laatste tientallen ronden van de wedstrijd onweerstaanbaar toe te slaan. Er werd nog wel even vinnig gestreden om de koppositie, maar iedereen wist hoe het af ging lopen. Guillermo Timoner kwam aan de leiding en stond die niet meer af. Het ging niet altijd zo, want hij was beroepsrenner genoeg om te weten dat het zakelijk niet altijd verstandig was om te winnen. Volgende week, volgende maand, volgend jaar is er weer een koers op dezelfde baan en dan is het slim om ook eens een ander, het liefst de lieveling van het publiek, de eer te gunnen. Daarom werd hij tussen 1955 en 1965 slechts zes en niet elf keer wereldkampioen, want hij was qua postuur wel de kleinste, maar achter de motor de allergrootste.
Tot volgende week!”
Guus de Jong


