In een tijd dat de Fransen een man als Louison Bobet als boegbeeld hadden; de Italianen Fausto Coppi koesterden; de Belgen met Rik Van Steenbergen pronkten en de Zwitsers een adonis als Hugo Koblet verafgoodden, hadden wij Wim van Est. Die buitenlandse vedetten van toen waren filmsterachtige persoonlijkheden die zich in de wereld van de glitter en de glamour moeiteloos voortbewogen in dure maatpakken en mooie auto’s. Wim van Est daarentegen was een uit de klei getrokken boer die er ook zo uitzag en geen enkele moeite deed zijn afkomst te verloochenen. Zijn verschijning was heel representatief voor de plaats die Nederland in de wereld van de jaren vijftig innam. Een op het oog heel erg gewoon landje dat op sportgebied geen reet voorstelde, als we de vier gouden plakken van Fanny even buiten beschouwing laten. Op wielergebied moesten we het hebben van vooroorlogse coryfeeën als Gerrit Schulte en Theo Middelkamp, die hun geld verdienden in de zesdaagsen en de kermiskoersen en er slechts incidenteel blijk van gaven dat ze ...
... ook op de weg tot grootse dingen in staat waren. In dat besef van nederigheid sloeg in mei 1950 het ANP-bericht dat de Nederlandse wielrenner Wim van Est de klassieker Bordeaux-Parijs had gewonnen, in als een bom. Een Nederlander een klassieker winnen en nog wel een over een afstand van meer dan 500 kilometer? Dat kon niet waar zijn.
Ik wist als jongetje van toen nauwelijks wat een klassieker was, want de media besteedden er weinig of geen aandacht aan, mede omdat er nog nooit een Nederlander was geweest die er een rol van betekenis in had gespeeld. Pas twee jaar later, toen het blaadje Wielersport in de kiosken verscheen, begreep ik langzamerhand de draagwijdte van het begrip ‘klassieker’. Dat was iets heel anders dan de Ronde van Lutjebroek, want dat waren de wedstrijden voor de grote wielrenners op aarde en Van Est had als eerste Nederlander er eentje gewonnen. In 1952 won hij die monsterkoers opnieuw, maar ik wist toen al dat die eerste zege geen toeval was geweest. Die man kon fietsen, ook al had zijn stijl weinig met schoonheid te maken. Een jaar eerder had hij ook al als eerste Nederlander de gele trui veroverd in de Ronde van Frankrijk en een dag later, op 17 juli 1951, was zijn naam een legende geworden door de spectaculaire duik in het ravijn van de Aubisque. Het waren wapenfeiten waar je als Hollandse wielerliefhebber met je verstand niet bij kon en toen hij in 1953 ook nog eens als eerste Nederlander de Ronde van Vlaanderen won, dé klassieker onder de klassiekers, kon Wim van Est bij mij niet meer stuk en ook niet bij het Nederlandse volk dat zich in datzelfde jaar door de prestaties in de Tour de France bewust werd dat Nederland op sportgebied een woordje ging meespreken. Woutje Wagtmans was dat jaar ons aller held, maar Wim van Est was toen al een icoon als de verpersoonlijking van de gewone simpele boerenjongen die zich niets van reputaties aantrok en met brute kracht, gedrevenheid en boerenslimheid zijn deel van de koek opeiste.
Net als bijna al zijn ploeggenoten in de Tourploeg van 1953 was Wimme er eentje uit een groot katholiek gezin. Elk jaar kwam er een kindje bij en als er onverhoopt eentje stierf dan zorgden vader en moeder direct voor een vervanger, want dat moest van meneer pastoor. Bij de Van Esten stopte de teller pas bij zestien en Wim heeft als een na oudste er veertien zien komen. Gedreven door de armoe wist hij al jong uit alles geld te slaan en als daarvoor de
regels moesten worden overtreden, dan moest dat maar want nood breekt wet en honger en gebrek waren in zijn ogen echte noodsituaties. Het kwam hem op een half jaar gevangenisstraf te staan wegens smokkel en dat heeft hem zijn verdere leven achtervolgd. Alle grote Nederlandse wielrenners zijn door de koningin onderscheiden, maar zo niet IJzeren Willem. Dat ene regeltje op zijn strafblad bleek niet uit te wissen en zelfs zijn persoonlijke ambassadeur, de goede Rini Wagtmans, is er niet in geslaagd de regelneven in Den Haag van hun dwaling te overtuigen. Gebaseerd op de normen van Calvijn is ‘eens een dief altijd een dief’ een onwrikbaar Nederlands standpunt, waar geen argument tegen op kan. Wim van Est heeft veel meer voor het aanzien van ons land betekend dan menig gelauwerd politicus, maar Rini die er ter wille van zijn geliefde wielersport wel in slaagt de gehele Kazachstaanse overheid in het gelid te krijgen moest uiteindelijk het hoofd in de schoot leggen in zijn strijd met de Haagse ambtenaren, die jaarlijks bepalen wie er een lintje krijgt en wie niet. Het was een grote teleurstelling voor de Knoest en dat hij in de winter van zijn leven toch nog werd onderscheiden met een plaquette, was slechts een pleister op de wonde. Genageld aan de rotswand van de Aubisque herinnert die koperen gravure aan de plaats, waar hij in 1951 van de weg raakte om zeventig meter diep in het ravijn vast te stellen dat het niet zijn hart was dat hij hoorde tikken, maar zijn Pontiac-horloge.
Tussen die val in 1951 en zijn overlijden in 2003 speelde zich het veelbewogen leven af van de man met de vele bijnamen. Ik noemde hem reeds IJzeren Willem en De Knoest, maar hij was ook bekend als de Beul of de Beer van ’t Heike en De Locomotief. De grote Karel Van Wijnendaele, de vader van de Vlaamse wielerjournalistiek, schreef over hem: “Er is voor mij maar één grote figuur geweest voor Bordeaux-Parijs en dat is Wim van Est. Hij is geblokt, hij is costaud (potig), hij kan het grote mes gebruiken, hij heeft spieren als stalen kabels en weet ik het, hoe zijn hart en longen er uit zien, maar hij moet helemaal een ijzeren vent zijn.” In zijn beroemde boek De Renner noemt Tim Krabbé hem een stripfiguur en een andere literator, Jan Siebelink, legt hem in het boek Pijn is Genotwoorden in de mond als: “Ik ben een Nimrod, een achterkleinzoon van Noach en de stichter van Babylon, een geweldige jager voor het aangezicht van de Heere.” Misschien was Siebelink toen al in gedachten zijn bed van violen aan het schoffelen, want zijn fantasie overtrof de werkelijkheid van Wimme. Dik Bruynestein beschreef hem bij een van zijn tekeningen als ‘le Roi des Tombeurs’, want er is niemand zo vaak gevallen als Van Est.
Ik denk niet dat hij die benamingen zelf heeft bedacht en hij had ook geen literaire aspiraties, maar ik herinner ik me wel mijn ontroering bij het lezen van het eerste hoofdstuk van Het IJzeren Uurwerk, zijn levensverhaal dat hij in 1995 vertelde aan journalist John Linse, die het vrij letterlijk opschreef: ‘Klaasje was ziek. Hij had op de tocht gelegen en kou gevat. Een kereltje van een half jaar oud. Vrolijk. Hij ging net een beetje pakken en spelen. “Pleuritus”, zei de dokter. Op het fornuis stond een grote koperen ketel. Dat was om te stomen. De dokter kwam elke dag. Hij maakte zich zorgen; er was geen beterschap te bespeuren. Tegen moeder zei hij: “Morgen moet het omslaan, morgen is het de negende dag.” Maar de volgende dag was er geen enkele verbetering. Klaasje stierf de dertiende dag. Zo triest. Zo bedroefd allemaal. Waar haalde je het geld vandaan om Klaasje te begraven? Als de lijkenboer moest komen, dat kostte geld dat er niet was. Vader maakte zelf een kistje en vroeg aan de pastoor: “Waar mag ik het leggen?” “Daar maar”, zei de pastoor en wees naar de kinderafdeling. Ik zie mijn vader nog wegrijden. De schop op zijn fiets gebonden, het kistje onder z’n arm, op z’n Afrikaans en iedereen huilen. (…) Dertien maanden later was er een andere Klaas.’
Wim van Est was van 1949 tot en met 1964 beroepsrenner en hij behaalde in die periode een kleine honderd overwinningen in grote en kleine wedstrijden. Zijn beste prestatie in de Tour de France was zijn achtste plaats in 1957. Hij won in de Tour drie etappes en hij droeg meerdere malen de gele en de groene trui. Hij was twee keer kampioen van Nederland op de weg en vier keer bij de beroepsachtervolgers. Hij ook won twee keer de Ronde van Nederland. Naast zijn reeds gememoreerde overwinningen in de Ronde van Vlaanderen en Bordeaux-Parijs, won hij die laatste koers
nog een derde keer in 1961. Hij won nog veel meer en volgens eigen zeggen zou zijn erelijst nog veel langer zijn geweest als hij niet zoveel koersen had verkocht. Ik vind dat een klein smetje op zijn blazoen, want een echte kampioen – en dat was Van Est - verkoopt alleen een koers als hij zelf niet meer kan winnen. Zijn beweringen zullen daarom meer te maken hebben met het feit dat hij altijd op zoek is geweest naar erkenning en dat hoort ook bij iemand die zichzelf eigenhandig tot een groot kampioen maakt. Dan wil je honderd keer, nee duizend keer horen dat je de beste bent. Nadat hij voor de derde keer op 38-jarige leeftijd Bordeaux-Parijs had gewonnen, zei hij tegen Jan Liber: “Dat heeft Gerrit (Schulte) toch nooit gekund, he Jan?” “Nee Wimme, dat kon jij alleen”, antwoordde de Amsterdamse sportjournalist die het wielergebeuren veertig jaar volgde en de prestaties van Wim van Est vele malen uitbundig heeft beschreven. (Abeeldingen: van boven naar beneden: archief Wim van Eyle; © Dik Bruynestein; © Guus de Jong; © Henk Theuns)



