ad ad ad ad

Kees Pellenaars, een vondst

De wielerjournalisten Martin Duyzings (foto) en Ru de Grood komt de eer toe in 1951 met Kees Pellenaars op de proppen te zijn gekomen. Duyzings kon prachtig over de Tour schrijven, maar de superlatieven die hij aan de groten van zijn tijd wijdde, wilde hij ook wel eens gebruiken voor de Nederlandse renners. En dat zat er anno 1951 in, omdat die Wim van Est internationaal het een en ander had laten zien. De twee  maakten een plannetje en ze besloten dat tot uitvoer te brengen. Een jaar eerder was de wielrenner Pellenaars levensgevaarlijk gewond geraakt, nadat hij in de Ronde van Duitsland door een Amerikaanse militair met de auto was aangereden. Er werd aanvankelijk voor zijn leven gevreesd, maar de doktoren hielpen hem er weer bovenop, hoewel van meet af aan duidelijk was dat hij nooit meer zou kunnen fietsen. Pellenaars had veel geld verdiend als wielrenner, vooral op de baan waar hij in de zesdaagsen een vedette was. De Brabander was een enigszins onbehouwen, maar zeer ...

... zakelijke man die niet vies was van combientjes en iedereen in de wielerwereld goed kende. Hoewel de Bredanaar geen enkele ervaring had met de Tour wilden Wim van Est, het aanstormende talent Woutje Wagtmans en de sierlijke Haarlemse flyer Gerrit Voorting wel met hem naar de Tour. Pellenaars ging direct voortvarend te werk. Met behulp van zijn netwerk ritselde hij in Italië het beste materiaal bij elkaar dat te koop was en met radioverslaggever Jan Cottaar (foto) maakte hij, in ruil voor de exclusiviteit van alle primeurs, de deal dat de prestaties van de Nederlanders in het verslag best een beetje overdreven mochten worden om het thuisfront te enthousiasmeren. Behalve Van Est, Wagtmans en Voorting stonden de Nederlandse renners echter niet te dringen om tot zijn ploeg toe te treden. Nederlands kampioen Hans Dekkers was nog wel te overreden en ook de Amsterdammer Henk Faanhof had er wel trek in, maar voor de overige drie plaatsen in de ploeg moest Pellenaars lang op zoek. Gerard Peters, zijn koppelgenoot in vele zesdaagsen kon hij met veel moeite overhalen, maar de laatste twee plaatsen kreeg hij niet ingevuld. Beroepswielrennen, daar kon je destijds niet van leven en geen renner kon van zijn baas drie weken vrij krijgen om de Tour de France te gaan rijden. Toch lukte het hem twee Brabantse coureurs bij hun werkgever los te praten en met acht man kon d’n Pel naar de Tour. Het ging aanvankelijk niet best en Pellenaars ging eens praten met kandidaatwinnaar Hugo Koblet, de Zwitser die hij goed kende van de winterbanen. Hij deed de pédaleur de charme het voorstel dat zijn jongens de Zwitserse ploeg zouden helpen, met een of twee etappezeges als beloning. Ze werden het eens en in de twaalfde etappe konden Voorting en Van Est ongehinderd met een ontsnapping mee. Van Est won de rit én de gele trui om de volgende dag met dat kleinood in het ravijn van de Aubisque te duiken, waarop Pellenaars met zijn hele ploeg huiswaarts trok. Het dramatische einde werd echter in de media opgeblazen tot een legendarische gebeurtenis, die vandaag de dag nog regelmatig wordt opgehaald. Van Est en Pellenaars konden in het vaderland niet meer stuk. (wordt vervolgd)

Door Fred van Slogteren, 30 juni 2009 12:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web