ad ad ad ad

De Burgerlijke Stand van 27 juni.

Patrick SERCU (1944, België)

Ik heb me altijd afgevraagd hoe deze beschaafde en rustige man zo’n groot wielrenner kon zijn in een discipline van de wielersport, waar de tenoren elkaar het licht in de ogen niet gunnen en ze permanent bereid zijn elkaar een fikse loer te draaien. Dat is althans de beschrijving van het zesdaagsewereldje die ik ken uit de getuigenissen van mensen als Peter Post en René Pijnen. Er moet dus een beest in Sercu huizen, anders kan ik het niet verklaren. Hij is al vele jaren de recordhouder waar het om het winnen van de meeste zesdaagsen gaat. Er staan er 88 op zijn naam en hij startte er in 224. Een score van bijna 40 procent. Toch was het rijden van zesdaagsen niet meer dan zijn vak, waar hij als grootvorst jarenlang heel goed aan heeft verdiend. Zijn hart lag echter op de weg en hij heeft een aantal seizoenen lang beide disciplines naast elkaar bedreven. Hij heeft de klassiekers gereden, de Tour en de Giro, kortom het hele programma werkte hij af om dan in de winter nog eens een stuk of vijftien zesdaagsen te rijden. Hoe houdt een mens het vol? Hij had op de weg ook een grote kunnen worden, als er niet die beperking was die in zijn jeugd is ontstaan. Zijn vader was Albert Sercu, die in de jaren rond de tweede wereldoorlog een van de beste Belgische coureurs was. Wie naar de palmares van Berten kijkt, ziet daar heel veel tweede plaatsen op staan. Tweede in de Ronde van Vlaanderen, tweede in Parijs-Brussel, tweede in de Scheldeprijs, tweede in het WK van 1947 en ga zo nog maar even door. Er was er altijd eentje sneller en toen zoon Patrick al op zeer jeugdige leeftijd liet weten coureur te willen worden, stelde Sercu senior slechts één voorwaarde aan zijn medewerking en dat was: snelheid kweken. ‘Er moet van meet af aan op snelheid worden getraind anders word je net zo’n eeuwige tweede als je vader’. Berten knapte het vervallen wielerbaantje van Rumbeke eigenhandig op en Patrick ging daar elke dag aan de gang om zijn snelheid te ontwikkelen en te optimaliseren. Het resultaat was er naar, want de jonge …

… gast uit Izegem werd drie keer wereldkampioen sprint. Aan de opleiding heeft het dus niet gelegen, maar die had ook een nadeel. Voor het wegrennen had Patrick de beperking dat hij met de besten kon wedijveren mits de afstand niet meer was dan zo’n 200 kilometer. Voor meer had hij gewoon niet genoeg inhoud. Acht jaar lang reed hij een volledig wegprogramma, inclusief de Tour en de Giro. Hij won etappes en tal van kleine koersen maar een grote klassieker staat niet op zijn palmares. En dat had hij graag gewild, hij had er desnoods enkele tientallen zesdaagsezeges voor in willen ruilen. In serene rust leidt hij nu al weer jaren een aantal zesdaagsen. Ik sta wel eens naar hem te kijken als hij daar in de eerste bocht na de finish aan de baanrand staat. Je merkt hem nauwelijks op, maar er ontgaat hem niets en de renners passen er wel voor er met de pet naar te gooien. Het fenomeen van de nacht. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Harm OTTENBROS (1943, Nederland)

Elk jaar als het wereldkampioenschap op de weg nadert en het parcours niet al te selectief is, valt zijn naam. Dikwijls in één adem met die van Hans Knecht, Heinz Müller en Benoni Beheyt, drie andere renners die het waagden wereldkampioen te worden zonder de vedettenstatus te bezitten. Het autocircuit van Zolder, waar hij in 1969 de regenboogtrui behaalde, is vooral vlak en snel en voor de toenmalige kanjers was het onbegonnen werk daar het verschil te maken. Maar topcoureurs zijn ook rancuneus. In plaats van acceptatie en een mentaliteit van ‘volgend jaar beter’, gaan ze hun teleurstelling dan verhalen op de wereldkampioen. In het geval van Ottenbros werd er een jaar lang gezorgd dat hij geen koers won. Nog geen lullig straatrondje. De vloek van de regenboogtrui. Het verweer van Ottenbros is simpel en logisch: ‘had ik dan in de remmen moeten knijpen om Merckx of Van Looy te laten winnen?’ Harm Ottenbros uit Alkmaar was helemaal niet zo’n slechte renner. Hij was een goede modale prof die met zijn sterke eindschot vaak won. Geen grote wedstrijden weliswaar, maar zijn palmares mag er zijn. Hij had een uitstekend koersinzicht en hij kon een ontsnapping forceren. Een goed ploegje bij elkaar brengen om het dan op de meet uit te vechten. Hij reed ook de Tour, maar daarvoor miste hij de inhoud. Als er bergen opdoemden draaide zijn maag zich al om en hij noemde zichzelf spottend: de Adelaar van Hoogerheide, het Brabantse wielerdorp waar de Alkmaarder domicilie koos toen hij beroepsrenner werd. Nadat hij jaren onzichtbaar was, kom je hem de laatste tijd weer regelmatig tegen bij wielergelegenheden. Klein en onopvallend. Rustig en beschouwend. Hij is jarenlang werkzaam geweest in de zorg voor verstandelijk gehandicapten en daar heeft hij veel levenswijsheid uit geput. Hij vertelde me eens: ‘Die mensen staan heel dicht bij het leven en dat trekt me bijzonder aan. Ze doen zich niet anders voor dan ze zijn, ze trekken geen scherm op, ze zijn eerlijk. Dat is het verschil met bijvoorbeeld de wielerwereld, waar je altijd bezig bent te voldoen aan het beeld dat de mensen van je hebben.’ (Foto: © Cor Vos)

De andere op 27 juni geborenen zijn:

DALL’AGATA, Gilberto (1930, Italië)
DE GENDT, Franky (1952, België)
ROBIN, Denis (1979, Frankrijk)
VANENDERT, Dennis (1988, België)
VERBIST, Evert (1984, België)
WELLENS, Paul (1952, België)
ZAGORODNY, Volodymyr (1981, Oekraïne)
ZBERG, Markus (1974, Zwitserland)

Door Fred van Slogteren, 27 juni 2007 0:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web