ad ad ad ad

De Burgerlijke Stand van 28 april.

Lucien AIMAR (1941, Frankrijk)

In Frankrijk was hij niet echt populair, ook al noemden ze hem Lulu. Iedere Lucien heet in dat land zo, als hij meer dan één vriend heeft. Er is in Frankrijk echter maar één Poupou en dat is Raymond Poulidor, een Limousin. Geen koe, maar een inwoner van Limoges. Er zijn maar vijf Franse wielrenners superpopulair geweest en dat waren André Leducq (Dedé), Charles Pélissier (Charlot), Louison Bobet (Bobette), Laurent Jalabert (Jaja) en natuurlijk Raymond Poulidor, beter bekend als le deuxième éternel. En Lucien Aimar beging een doodzonde toen hij in 1966 het troetelkind aller Fransen van de overwinning in de Tour de France afhield. Het was ijzig stil in het Parc des Princes toen de overwinnaar van de Tour daar in 1966 zijn ereronde reed. Alles werd hem misgund. De gele trui en vooral die ereronde. Die kwam Poupou toe, de zwijgende en immer glimlachende loser, die zich jaren had stukgelopen op die superieure Normandiër, Jacques Anquetil. Die werd hooguit geaccepteerd vanwege zijn uitzonderlijk talent. Een hooghartige god op de fiets en van een boven de mensheid verheven eenling mag een publiekslieveling verliezen. Maar de uitverkorene aller Fransen mocht vanwege zijn ‘low key appearence’ natuurlijk niet ten onder gaan voor een omhooggevallen steen als Lulu Aimar. En daarom die stilte, die halverwege de ereronde werd verbroken door een aanzwellend fluitconcert. Het onbeduidende knechtje van maître Jacques, de gehate …

… geweldenaar die afstapte toen de zege van Aimar vaststond. In Nederland geldt Aimar als de ‘con’ die de eerste Nederlandse Tourzege in de weg stond. Jan Janssen had die Tour moeten winnen, want de ‘schele uit Nootdorp’ had er eigenlijk nog meer recht op dan Poupou. Maar Jan toonde in het geel en op slechts enkele dagen van Parijs dat hij nog veel moest leren. Zoals vooraan rijden als je in het geel rijdt om alles te controleren. Ik heb die fout van een intelligente en slimme coureur als Jan Janssen nooit begrepen en toen ik zijn biografie schreef, ben ik het gaan vragen aan de hoofdpersoon zelf en aan kroongetuigen als Jos van der Vleuten en Appie Geldermans. Alledrie repten ze van een blunder van de gebrilde Nootdorper, die niet attent had gereden en zich achterin het peloton had laten verrassen. Ik heb het ook aan Aimar gevraagd en die zei tot mijn verbijstering: ‘Ik ken Jan goed en ik heb al vele malen met hem over die etappe naar Turijn gesproken. Hij zegt: ik heb Lucien niet zien wegrijden, maar dat kan niet want hij zat in mijn wiel. Dat is de waarheid.’ Toen ik Jan Janssen met die uitspraak confronteerde kreeg ik een ontwijkend antwoord. Na veertig jaar is het niet belangrijk meer. Jan Janssen kreeg twee jaar later alsnog zijn Tourzege en de commotie rond de overwinning van Lulu is allang weggeëbt. Wat niet wegneemt dat Lucien Aimar een heel goede subtopper was die op een julidag in 1966 even boven zichzelf uitsteeg. En ook dat hoort bij de Tour.

De andere op 28 april geborenen zijn:

BONILLA, José Adrian (1978, Costa Rica)
ENGEL, Jaap (1919, overleden 1945, Nederland)
GIMONDI, Massimo (1971, Italië)
KEMPER, Gerard (1970, Nederland)
LELEU, Roger (1939, België)
OTTEVANGER, Arno (1963, Nederland)
RIETVELD, Martin (1953, Nederland)
ROL, Jan (1933, Nederland)
VEKEMANS, Willy (1945, België)
WIGGINS, Bradley (1980, Groot Brittannië)

Door Fred van Slogteren, 28 april 2007 0:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web