ad ad ad ad

Slogblog


“René Pijnen ging in zijn carrière van start in 233 zesdaagsen en hij won er daarvan 72. 42 maal eindigde hij op de tweede en 41 maal op de derde plaats, met een recordaantal van 79 verschillende partners. Zijn eerste zesdaagse reed hij in februari 1969 en zijn laatste in december 1987. Hij was dus bijna 19 jaar actief in de zesdaagsewereld.

Eind oktober 1979 won hij met de Italiaan Francesco Moser de Zesdaagse van Grenoble. Het duo Roy Schuiten-Gregor Braun werd tweede met een ronde achterstand. In de Belgische krant Het Laatste Nieuws van 30 oktober 1980 stond dat Pijnen met Braun de sterkste was in de Zesdaagse van Frankfurt. Ze hadden meer dan 200 punten voorsprong op de Duitser Wilfried Peffgen met diens landgenoot Albert Fritz.

Al op 30 oktober 1980 werd de Belgische profformatie Boule d'Or van Guillaume Driessens en Willy Jossart ...

Door Fred van Slogteren, 30 oktober 2006 10:00

Manuel QUINZIATO (1979, Italië)

Eigenlijk is er niet zo veel bijzonders te melden over deze Italiaan. Hij komt uit Bolzano, min of meer de hoofdstad van het Italiaanse gedeelte van Tirol. Dan zal het wel een klimmer zijn, is de eerste gedachte, maar dat valt tegen. Manuel staat in eigen land vooral bekend als een tijdrijder, een man die solo een enorm tempo kan ontwikkelen. Niet dat hij daarin een kampioen is, want zijn belangrijkste wapenfeit als jachtrijder is een tweede plaats in het Italiaans kampioenschap. De reden waarom hij vandaag in de Burgerlijke Stand op het hoogste treetje staat is het feit dat hij in de vijf jaar dat hij beroepsrenner is slechts één overwinning heeft behaald. En niet eens in een tijdrit, maar een rit in lijn op Nederlandse bodem nog wel. Dat was de tweede etappe van Den Bosch naar Sittard in Eneco’s Tour van dit jaar. Een lange rit van bijna tweehonderd kilometer met onderweg de nodige schermutselingen. Maar alles kwam steeds weer bij elkaar en op drie kilometer van de streep, toen de snelle mannen positie kozen, knalde een frêle renner in het lichtgroene shirt van Liquigas uit de groep en sloeg een gat van honderd meter. Toen begon het malen op de 12. Rammen met de blik op oneindig. Het verkrampte gezicht ontspande pas volledig toen Manuel Quinziato de finish passeerde. Een brede lach, want zijn eerste profoverwinning was een feit. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Door Fred van Slogteren, 30 oktober 2006 0:00

Maurice BLOMME (1926, overleden 11.04.1980, België)

Een renner uit een belangrijke époque van het Belgische wielrennen. Je had toen de grote drie in Van Steenbergen, Ockers en Schotte en daaronder een heel leger Belgen die grote koersen en klassiekers konden winnen en ook wonnen. Namen als Jan Adriaensens, André Rosseel, Marcel Rijckaert, Marcel Hendrickx, Raymond Impanis, Nest Sterckx, André Vlayen, Pol Schaecken en zo kan ik er nog wel twintig bedenken. En natuurlijk ook Maurice Blomme in zijn proftijd (1949-1959) een van de beste tijdrijders ter wereld. Dat duurvermorgen had hij opgedaan in de vele veldlopen waaraan hij als atleet had deelgenomen voor hij wielrenner werd. In 1950 won hij de Grand Prix des Nations, toen de meest prestigieuze tijdrit van het hele seizoen. Blomme zou ook een uitstekend wegrenner zijn geweest, maar als typische tijdrijder miste hij tactisch inzicht en liet hij zich door mindere renners nog wel eens in de luren leggen. Daarom is zijn erelijst niet groot. Hij startte slechts twee keer in de Tour de France. Dat was in 1950 en 1952 en hij reed de ronde beide keren niet uit. Wel won hij in 1950 een etappe. De meeste Vlaamse wielrenners werden na hun carrière of kroegbaas of fietsenmaker. Maurice Blomme werd beide. Overdag in de rijwielwerkplaats en ‚s avonds achter de toog pinten tappen. Dat was in Roeselare, de Oostvlaamse stad waar hij ook overleed.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Door Fred van Slogteren, 29 oktober 2006 0:00

Ergens aan het eind van de jaren vijftig of begin jaren zestig heb ik in een Amsterdamse bioscoop - ik vermoed Cineac Reguliersbreestraat - een documentaire film gezien over de Tour de France. Ik vond het een fascinerende film en als ik toen al geen wielergek geweest was, was ik het ter plekke geworden. Ik herinner me beelden van een soigneur die de lillende kuiten van Gilbert Bauvin masseert en een renner die al rijdend in een compact peloton de dop van een bemachtigd flesje fris verwijdert door de kroonkurk tegen de stuurbout aan te leggen en een flinke klap te geven. En nog vele andere unieke beelden, die weinig over de wedstrijd zeggen, maar alles over het hele circus dat Tour de France heet. De film werd gemaakt door de toen heel beroemde Franse documentairemaker François Reichenbach die ook prachtige documentaires heeft gemaakt over de concerten van Johnny Halliday en de chansonnière Barbara. Al jaren informeer ik bij mensen die het zouden kunnen weten naar die film. Is hij op videoband of DVD verkrijgbaar en waar? Maar niemand schijnt van het bestaan van die film te weten en ik weet zeker dat ik het niet heb gedroomd. Daarom weet iemand iets meer over die Tourfilm van François Reichenbach?

Door Fred van Slogteren, 28 oktober 2006 14:33

Cora WESTLAND (1962, Nederland)

Soms krijgt de mens de pest aan zichzelf omdat hij of zij iets niet kan. Dat overkwam Cora Westland die voor de lol de racefiets van haar partner een had gepakt om op dat ding van Amstelveen naar Bussum te fietsen. Hooguit dertig kilometer was de afstand, maar ze redde het niet. Hoe ze uiteindelijk in Bussum is gekomen heeft ze me niet verteld, maar wel dat ze een grote minachting voor zich zelf voelde. De dag daarna werd ze lid van een wielervereniging en ze ging fanatiek trainen en open wedstrijden rijden. Daar was het bij gebleven als ze Monique Knol niet was tegengekomen. Die zag wel wat in dat lange blonde meisje, die inmiddels een pittig tempo kon draaien. Cora kwam bij Monique in de ploeg en het was haar taak om het peloton bij elkaar te houden, zodat de snelle Knol het in de sprint kon afmaken. Zo kwam ze in de nationale selectie en werd ze uitverkoren om in in Seoul in de Olympische wegwedstrijd te starten. Monique Knol was een van de favorieten. Westland offerde zich helemaal op en Knol won inderdaad goud. Vanwege haar talenten als temporijdster werd ze het jaar daarna opgesteld in de tijdritploeg bij het WK. Die ploeg kwam een seconde te kort voor een podiumplaats en bondscoach Hoekstra had gezien waar het aan schortte. Hij handhaafde Knol en Westland en verving de andere twee vrouwen door de volslagen onbekende Astrid Schop en de piepjonge Leontien van Moorsel. In het verre Japan werd dit viertal in 1990 wereldkampioen ploegentijdrit. Onder Hoekstra ging de nationale selectie steeds zwaardere wedstrijden rijden en dat was voor Cora een probleem. Ze had enerzijds haar studie en anderzijds had ze niet het lijf om als de veel lichtere Van Moorsel de cols te bedwingen. Ze won in 1991 bij het WK ploegentijdrit nog zilver, maar daarna wierp ze zich geheel op de studie. Haar drukke leven als ergotherapeute en moeder combineert ze nu nog met het trainen en begeleiden van jong vrouwelijk wielertalent. Ze heeft onlangs het westen verruild voor het noorden van het land en heeft daar die activiteiten voortgezet. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Door Fred van Slogteren, 28 oktober 2006 0:00

© Otto Beaujon

“Flandria is één van de meest roemruchte namen uit het Belgische wielrennen. De naam is het Latijnse woord voor Vlaanderen en in het Waals heet dat Flandres. Flandriens zijn Vlaamse stoempers. De geschiedenis van het merk gaat terug tot 1825, het jaar waarin grondlegger Alex Claeys de dochter van een smid trouwde, en met schoonvaders geld een ijzergieterij begon. De ‘Werkhuizen Claeys’ in Zedelgem bij Brugge brachten robuuste tractoren, zware diesel- en kleine tweetaktmotoren, kachels, potten en pannen, maaidorsers, gereedschap en fietsen voort. De eerste Claeys fietsen dateren van 1896 met de merknaam Westvlaamsche Leeuw. Vanaf 1959 sponsorde Flandria, inmiddels geleid door de vierde generatie, mijnheer ...

Door Fred van Slogteren, 27 oktober 2006 10:00

Cees PRIEM (1950, Nederland)

Cees Priem was in de jaren zeventig een van de beste amateurrenners van ons land die in vierenhalf seizoen 46 overwinningen behaalde. Daaronder Olympia’s Tour en een aantal klassiekers, een bronzen medaille op de Olympische Spelen van 1972 en nog veel meer. Met dat visitekaartje stapte hij over naar de profs en hij werd als kopman binnengehaald bij de Nederlandse profploeg Frisol, onder leiding van Piet Libregts. Priem was allround, want hij kon goed tijdrijden, aardig bergop en ook nog een sprintje winnen en als het moest van razendsnelle mannen als Freddy Maertens en Rik Van Linden. Maar al in zijn eerste jaar als beroepsrenner kreeg hij rugklachten en dat ontwikkelde zich tot een hernia. Na de operatie had hij als renner ingeboet, want hij kon niet meer zo hard aan het stuur trekken en ook het bergoprijden was een stuk minder. Hij verloor zijn positie van kopman en hij verbond de rest van zijn rennersleven aan dat van Jan Raas, vriend en aangetrouwd familielid. Het was een hechte combinatie die na de breuk met Peter Post een eigen ploeg opzette voor sponsor Kwantum Hallen. Raas was de baas en Priem de personeelschef, want hij trok in het peloton de renners aan die in het systeem pasten. Na zijn carrière stortte hij zich enkele jaren in zijn eigen bouwbedrijf tot hij een aanbieding kreeg om een profteam op te zetten. Dat werd TVM en hij maakte er wat moois van. Met heel wat minder budget dan Raas bij Buckler en later bij Rabobank zette hij een sterke ploeg neer met jonge renners van overwegend Nederlandse bodem. Coureurs als Blijlevens, Knaven en Voskamp hebben zich bij hem ontwikkeld tot winnaars en hij werd een gerespecteerd ploegleider. Weleens wat horkerig en ontevreden ogend, maar iemand met het wielerhart op de juiste plaats. Tot de Tour de dôpage in 1998 het TVM-sprookje opblies. De Zeeuwse ploegbaas belandde in het gevang en dat is een periode geweest die emotioneel zwaar op hem heeft ingegrepen. Als goed zakenman heeft hij zich weer een bestaan verworven in de luwte van de echte wedstrijd en hij zal daar tevreden mee zijn. Hij weet immers welke risico’s een eerstverantwoordelijke loopt. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Door Fred van Slogteren, 27 oktober 2006 0:00

DAS WAREN NOCH ZEITEN!

door Hanspeter Born

“Dit is een boek dat ik van een Zwitserse verzamelaar cadeau heb gekregen. Het is verschenen in 1990 bij uitgeverij Sport en het is geschreven door Hanspeter Born, een journalist van Weltwoche met een grote productie boeken op zijn naam over allerlei onderwerpen. Het is een erg goed boekje dat vooral ingaat op de tijd van de grote Zwitserse wielergeneratie met Ferdinand Kübler en Hugo Koblet als gezichtsbepalende factoren. Daarom luidt de titel letterlijk vertaald: ‘Dat waren nog eens tijden’. Er staan leuke wetenswaardigheden in, zoals over de Emmenthaler kaas als de eerste prijs die Kübler ooit in zijn carrière heeft gewonnen. Zo’n kaas was zo groot als ...

Door Fred van Slogteren, 26 oktober 2006 10:00

Marcus LJUNGQVIST (1974, Zweden)

Bij het dagelijks invullen van deze rubriek heb je een enkele keer een dag waar je geen raad mee weet. Het liefst heb ik onder de jarigen een bekende, iemand die ik ooit persoonlijk heb ontmoet. En als dat niet zo is iemand waaraan ik een herinnering heb en waar een mooie anekkedote aan kleeft. Ik ben nu eenmaal geen statisticus, maar een romanticus. Er moet een verhaal aan zitten, anders vind ik het niks. Vandaag is zo’n dag. Ik ken de namen van de heren Drogan, Ljungqvist, Martens, Saldow en Schmutz natuurlijk wel, maar daar houdt het mee op. Ik heb dagenlang zitten dubben wie ik zou kiezen en het is uiteindelijk die Zweed geworden met die moeilijk uitspreekbare naam. LIJOENGKWIST of zo iets. Een goede maar redelijk onopvallende renner. In Falun geboren en zoon van het echtpaar Leif en Kerstin. Het lijken namen uit ‚Eeuwig zingen de bossen’, de oervertelling uit Noord-Europa waar je spontaan depri van werd, omdat er een diepe treurigheid uit sprak. Hij woont als zoveel Scandinavische beroepsrenners in ...

Door Fred van Slogteren, 26 oktober 2006 0:00

In 2003 ben ik een keer bij hem op bezoek geweest in zijn mooie appartement hoog in een flatgebouw in De Bilt met een prachtig uitzicht op de Utrechtse Heuvelrug. Ik was bezig met het beschrijven van de geschiedenis van de KNWU en daarin kwam uiteraard ook het dopingvraagstuk aan de orde en dat was de reden waarom ik hem toen benaderde. Doping begon in de jaren zestig een probleem te worden en aangezien de toenmalige voorzitter van de KNWU een medicus was, werd er voor het eerst een medische commissie in het leven geroepen. Dokter Piet van Dijk, preses van de wielerunie, werd zelf voorzitter en als leden werden aangetrokken de medici Rolink, huisarts te Velsen en Strikwerda, afgestudeerd arts en fysiotherapeut te Utrecht, die nog bezig was zich door studie te specialiseren in de chirurgie. Er werd een taakverdeling afgesproken en op hun ...

Door Fred van Slogteren, 25 oktober 2006 18:22

« Vorige 1 2 3 ... 997 998 999 1000 1001 1002 1003 1004 1005 1006 1007 ... 1061 1062 1063 Volgende »