
“Dit truitje is ooit gedragen door Ferdinand Bracke en ik ga nu een opzienbarende mededeling doen: Bracke was volgens mij een van de grootste renners van zijn tijd. Die lag tussen 1963 en 1978 en ik weet zeker dat heel wat lezers de wenkbrauwen fronsen. Bracke? Ferdinand Bracke? Een van de grootste renners van zijn tijd? Ja mensen, ga maar na. Winnaar van …
Lees meer...



vader mij op zondagmiddag vaak mee naar een museum vol schilderijen. Hij bestudeerde daar de techniek van zijn vakgenoten die de eeuwige roem hadden bereikt, terwijl hij me onderwijl probeerde uit te leggen wat er nou zo mooi was aan een bepaald schilderij of waarom het in zijn ogen falderabbes was, zoals hij een slechte creatie noemde. Ik stak er niet veel van op, maar onthield wel alle namen van beroemde schilders, net zoals ik in die tijd de namen van heel veel wielrenners kende. In de combinatie van die twee werelden kreeg ik in de jaren zeventig als volwassene een kick van de naam Melle Jongkind. Dat was een wielrenner uit Aalsmeer en zowel zijn voor- als achternaam kwam overeen met die van een schilder waarover mijn vader mij zo veel had verteld. De Amsterdammer Oldeboerrigter (1908-1976) liet zijn achternaam meestal weg en werd heel bekend met zijn voornaam Melle, een van de grote surrealisten van de vorige eeuw. Johan Jongkind (1819-1891) was een beroemd landschapsschilder met een voorkeur voor prachtige Hollandse winters. Mijn vader kon uren naar hun werk kijken tot hij zich bewust werd dat ... 
liefhebber was van de baansprint en dan op zo’n grote betonnen piste als die in het Olympisch Stadion. De namen van de toenmalige sterren zijn vaak op deze site genoemd en een van hen was Antonio Maspes, met zeven wereldtitels een van de grootste, zo niet de allergrootste, sprinter in de periode tussen 1950 en 1965. Hij was ook een echte sprinter om te zien. Klein, gedrongen, breed in de schouders, armen uit het krachthonk en een paar poten om bang van te worden. Hij kon ook niets anders dan sprinten, want een zesdaagse rijden of een omnium om geld te verdienen, was er niet bij. Hij verdiende al kapitalen als sprinter en kon met een paar grote prestaties per jaar een luxe leven leiden. In 1960 diende zijn opvolger zich aan en dat was een replica van Maspes. We hoorden voor het eerst van hem in 1958 toen hij bij het WK tweede werd bij de amateursprinters achter zijn landgenoot Gasparella. Dat heb ik niet gezien, maar een jaar later zag ik hem weer tweede worden bij het WK in Amsterdam. Weer achter Gasparella. En toen ...
voor de tweede dag de gele trui. Een dag eerder had IJzeren Willem namelijk tot een groep van zeven renners behoord, die al na ruim 30 kilometer een uitlooppoging waagde. Ze werden niet meer teruggehaald en kwamen met ruim zes minuten voorsprong in Le Treport aan, waar de sprint werd gewonnen door de Fransman Gilbert Bauvin. Van Est eindigde als vierde en kwam daardoor met een voorsprong van 40 sec op Bauvin in de gele trui die hij in de felle rit van zondag tussen Le Treport en Versailles succesvol verdedigde. Die rit werd gewonnen door de Franse regionaal Jean Gainche voor de sprinter André Darrigade. Van Est eindigde in het grote peloton dat een achterstand had van 1´49” op de winnaar. Omdat Bauvin in dezelfde tijd over de streep kwam kon de man van ‘t Heike de leiderstrui behouden en met een brede glimlach in Versailles zijn ererondje rijden. De Nederlands-Luxemburgse ploeg kwam bovendien aan de kop in het ploegenklassement en met Van Est als leider en Gerrit Voorting en Piet de Jongh als zevende en negende in de algemene ranschikking stond Nederland er uitstekend voor. Als een soort voorschot op de rest van die Tour, die gewonnen werd door Charly Gaul (foto: archief T&T Tekst & Traffic), de kopman van de ploeg. De Brabander Piet Damen eindigde tenslotte als ... 

uitstekend auto kunnen rijden. Wie dat niet kan, zal nooit een goede ploegleider worden. Zeker in de bergen is het noodzakelijk dat je de wagen met gevaar voor eigen leven zodanig de bochten doorstuurt dat je je renner kunt bijhouden, die met een noodgang omlaag giert. Krijgt hij pech dan moet je er à la minute zijn, want het gaat om winst of verlies. Gé Peters was jarenlang ploegleider van Caballero, de ploeg waar ik als beroepsrenner voor reed, en hij kon autorijden als de beste. Toen hij eens tijdens een woeste afdaling door zijn rem trapte dacht hij even dat het met hem gebeurd was. Die gedachte werd direct vervangen door een rampscenario om het vege lijf te redden en hij bracht de wagen in een zee van vonken van het op steen schurende metaal tegen de rotswand tot stilstand.
Ronde van Zwitserland zou gaan winnen. Ik had zo mijn twijfels, want de voorsprong op – met name – Frank Schleck was niet van dien aard dat hij zich al veilig kon wanen. Hij moest in de tijdrit tot het gaatje gaan. Zoals we inmiddels weten mislukte het jammerlijk en Gesink beëindigde de ronde op een teleurstellende vijfde plaats in het algemeen klassement. Is Robert toch niet de renner die op termijn de Tour kan gaan winnen of is er iets anders aan de hand? Jongstleden dinsdag schreef Peter Winnen er in NRC Handelsblad een interessante column over. Hij hield het op stress en had daar al combinerend en deducerend goede argumenten voor. “Onzin”, reageerde Adri van Houwelingen enkele dagen later aan de telefoon. “Er is in iedere ronde sprake van stress, maar Robert kan daar goed mee omgaan. Wat hem is opgebroken is een combinatie van factoren. Hij had last van een lichte verkoudheid, waardoor hij al een heel slechte proloog had gereden. Vervolgens reed hij in de koninginnenrit de sterren van de hemel met geen ander doel dan ...