
“Over mijn Gazelle Randonneur Trophy, waarmee ik ooit de wereld ben rondgefietst ben ik nog lang niet uitgepraat. Op zo’n tocht spelen de kleinste onderdelen soms de grootste hoofdrol, zeker als ze het in de middle of nowhere voor gezien houden. Daarom koos ik vooraf zo veel mogelijk het beste van het beste om zo goed mogelijk voorbereid aan die uitputtingsslag voor mens en materiaal te beginnen. Een goed voorbeeld zijn de spaken van D.D.T. Die waren double butted van RVS en voor de zekerheid nam ik nog een aantal reservespaken mee voor het geval dat. Om ruimte te besparen heb ik die in de zadelpenbuis van het frame laten zakken.
De banden waren van het merk Continental, waarvan het loopvlak verstevigd was met Kevlar. Op de foto kun je zien dat ik het canvas in Turkije heb moeten repareren. Bij opruimwerkzaamheden kwam ik laatst een kistje tegen met alle onderdelen die tijdens de wereldreis kapot zijn gegaan. Het pignon tandwiel 22, was meer een wrijvingswiel geworden en leek op een kindergebitje van een zesjarige. De ketting werd elke 15.000 kilometer vervangen, omdat de geleiderolletjes totaal versleten en afgebrokkeld waren. Onderweg …




De wielercarrière van Rob Harmeling bevat twee hoogtepunten: het wereldkampioenschap ploegentijdrit in 1986 en zijn etappeoverwinning in de Tour de France van 1992. Voor de rest zat het hem niet mee, want hij was prof in een periode waarin het Nederlandse beroepswielrennen helemaal op z’n gat lag. De magere jaren waarin alleen een sprinter als Jeroen Blijlevens zo nu en dan succes had. Een temperamentvol doordouwer als Rob Harmeling uit Tukkerland bleef het echter het met heel zijn karakter proberen, omdat hij weigerde zich te laten meeslepen in de neerwaartse spiraal van het doemdenken. Het begon zo hoopvol in 1986. Vier jongens met veel talent hadden zich een jaar lang met Spartaanse methodes voorbereid op het WK ploegentijdrit. Dat waren, op de foto van links naar rechts: Gerrit de Vries, Rob Harmeling, Tom Cordesw en John Talen. Rob was de minste tijdrijder van de vier en hij heeft die dag afgezien als een beest. Tot hij er in de laatste ronde af moest en daarover zo teleurgesteld was dat hij die regenboogtrui niet eens wilde hebben. Hij had zijn makkers in de steek gelaten, hij had niet aan de verwachtingen voldaan en dat zij wereldkampioen werden daar had hij part noch deel aan gehad. Vond hij. Maar zo zagen zijn ploegmakkers dat niet, want Rob had meer dan zijn aandeel geleverd. Hij was tot het gaatje gegaan en misschien er wel overheen om het verschrikkelijke tempo vast te houden. Maar ineens was het op en topwielrenners hebben dat allemaal wel eens meegemaakt. Ze begrepen Rob daarom maar al te goed en ze stonden niet toe dat hij zich op het erepodium wegstak, als hoorde hij er niet bij. Dat hij sip keek toen het Wilhelmus klonk, daar konden ze niks aan veranderen. Pas uren later drong het tot de Nijverdaller door dat hij wereldkampioen was. Zijn profcarrière werd zoals gezegd niet wat hij er van had verwacht. Maar die etappe in de Tour de France 1992 op weg naar Bordeaux was weer een hoogtepunt. Ook dat zag hij aanvankelijk zelf niet zo. Harmeling was een pure aanvaller die altijd het beste van zichzelf wilde geven. Maar in de tienmanskopgroep die die dag ontstond, wist zijn ploegleider Cees Priem hem in bedwang te houden. Een beetje linkeballen. Zijn mede-wereldkampioen Gerrit de Vries deed ...
Nicolaas. In 1962 kreeg Leo van Dongen uit handen van de kindervriend een eerste prijs als beste man van het Breda Bier Wielerklassement. Bijgaande foto stond op de cover van het blad Wielersport van 13 december 1962. De snelle sprinter uit Made kreeg tijdens een wielerplechtigheid in Breda voor de tweede maal de hoofdprijs van vijfhonderd gulden uitgekeerd. Walter Heeren, de nieuwkomer uit Sint Willibrord was tweede en Cees Snepvangers uit Zundert derde. De brouwerij had de gewoonte elk jaar een vijftiental wedstrijden in aanmerking te laten komen voor een klassement, dat met ‘waardevolle waardebonnen’ werd begiftigd. Martien van der Lee (de vliegende postbode) was in 1960 de eerste winnaar. In 1961 en dus ook in 1962 kwam Leo van Dongen als eerste uit de bus. De wedstrijden worden hoofdzakelijk in west- en midden Brabant gehouden.
was zijn nationale titel in 1958 bij de profs op de weg. In die tijd werd er niet in één wedstrijd om het roodwitblauw gestreden, maar in drie koersen. Eentje in Groesbeek nabij Nijmegen, één op het autocircuit van Zandvoort en één in de Limburgse heuvels in en rond Valkenburg. In Groesbeek werd Jef zevende, in Zandvoort achtste en in Valkenburg eerste. In zijn eigen vertrouwde omgeving (belangrijk voor een Limburgse renner) had hij die dag superbenen en versloeg hij de complete concurrentie. Over drie wedstrijden gerekend was hij de regelmatigste geweest en dat werd beloond met de titel van Nederlands kampioen. Had hij die titel niet behaald dan zou Jef Lahaye waarschijnlijk vergeten zijn, want de rest van zijn palmares is die van een bescheiden coureur en dat was hij ook. Hij had wel iets met het Nederlands kampioenschap, want in 1957 werd hij derde achter Wim van Est en Jules Maenen en in 1960 won hij de eerste wedstrijd van de drie om het NK. Ook weer in de zo vertrouwde Limburgse heuvels. In de andere twee wedstrijden zal hij niet hoog gescoord hebben, want hij kwam niet op het erepodium. In de Tour de France heeft hij geen potten gebroken. In 1956 debuteerde hij en met degelijk, maar onopvallend knechtenwerk kwam hij als 87e in Parijs aan op meer dan vier uur achterstand van winnaar Roger Walkowiak. In 1957 liet Pellenaars hem thuis, maar in 1958 was hij er weer bij. Dat jaar reden acht Nederlanders in een gecombineerde ploeg met vier Luxemburgers. Op voorspraak van kopman Charly Gaul, want Jef had een goede Ronde van Luxemburg gereden, waarin hij vierde was geworden. Hij verscheen aan de start met een verzwegen knieblessure en dat werd hem in de zevende rit, een bergetappe, fataal. Hij forceerde en kreeg twee dagen later een startverbod van de Tourarts. In 1961 werd hij, na een goede prestatie in de Ronde van Spanje, nog een keer voor de Tour geselecteerd. Nadat kopman … 
48 en de lezers van Wieler Magazine gekozen renners van het jaar bekend werden gemaakt, was ik maandagmiddag eerst in het Bossche stadhuis waar de presentatie zou plaatsvinden van het boek Michael & Erik, een hommage aan de twee beste Nederlandse renners van de laatste tien jaar. Het is geschreven door Peter Ouwerkerk en Joop Holthausen en de palmares van de beide heren – die met hun hele familie aanwezig waren – is samengesteld door Jacob Bergsma, die ook het idee voor dit boek leverde. Marije Randewijk schreef van beide renners een mooi portret, zoals alleen zij dat kan. Het boek, met gigantische afmetingen en een indrukwekkend gewicht, bevat honderden schitterende foto’s van hoofdzakelijk Cor Vos en is een uitgave van De Buitenspelers. Wim van Eyle zal hier op de slogblog een van de komende donderdagen op terug komen met een recensie.
moesten ook korte biografieën komen van alle Nederlandse wielrenners en wielrensters die ooit wereldkampioen of Olympisch kampioen waren geweest. Ik kreeg het lijstje met namen thuisgestuurd. De meest onbekende van allemaal was voor mij Astrid Schop. Toch was zij in 1990 wereldkampioene. Zij deed het echter niet alleen want zij was één van de vier rensters die dat jaar wereldkampioen ploegentijdrit werden. In het Japanse Utsunomiya. Monique Knol en Leontien van Moorsel waren natuurlijk bekende namen en ook de naam Cora Westland deed bij mij een belletje rinkelen, maar van Astrid Schop had ik nog nooit gehoord. Tot ik haar sprak en er achter kwam dat zij het meisje was met de tulband. Wat was het geval? Bij het inrijden voor de start kwam Astrid in botsing met een Japanse fietser die van zijn lijn afweek toen de dames hem rakelings passeerden. Het zag er eng uit, want Astrid bleef bewegingloos liggen met haar hoofd in een plas bloed. Toen de andere drie meiden zagen dat bondscoach Piet Hoekstra ter plekke was, gingen zij door met het inrijden om de concentratie zo veel mogelijk vast te houden. Een reserve werd opgeroepen, maar toen de drie zich bij de start meldden, stond daar ineens Astrid eveneens startklaar, maar met een groot wit verband om haar hoofd. Het meisje met de tulband. Ze gaf haar collega’s een korte verklaring: ‘gat in m’n kop, gaasje dr’op, verband dr’om, klaar! RIJEN!!!’ Zo werden de vier wereldkampioen. Astrid bleef bij de selectie en werd een van de vrouwen die met Leontien van Moorsel aan overdreven lijnen ging doen. Ze was bloedfanatiek, hoewel ze als studente inspanningsfysiologie, precies wist hoe dom ze bezig was. Ze wilde echter naar niemand luisteren ook niet naar eigen lichaam en verstand. Het was ...