ad ad ad ad

 

© Otto Beaujon

“Grote namen van Franse en Belgische renners uit de begintijd van het wegrennen, zoals Petit-Breton, Georget, Vanhauwaert en François Faber klinken ons veelal vertrouwder in de oren dan de Duitse renners uit die tijd. Wie weet nog wie Thaddaeus Robl, Walter Sawall of Arthur Stellbrink waren? Toch zijn dat ook heel grote renners geweest. Arthur Stellbrink werd in 1884 in Berlijn geboren. Hij werd op zijn 19e amateur en al een jaar later beroepsrenner. In die tijd was er voor Duitse renners de meeste eer weggelegd op de wielerbaan achter de grote motoren. In die tijd mocht de rol nog dicht tegen het achterwiel gemonteerd worden, waardoor de snelheden soms de 100 kilometer per uur bereikten. Dat was levensgevaarlijk, niet alleen voor de renner en zijn gangmaker, maar ook voor ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 23 februari 2007 10:00

Roger RIVIÈRE (1936, overleden 01.04.1976, Frankrijk)

Frankrijk beschikte in de jaren vijftig over grote renners. Louison Bobet, Jean Robic, Raphael Geminiani en nog een handvol coureurs die bijna hun gelijke waren. Maar ze werden ouder en jong talent stak de kop op. Eerst was daar in 1953 het fenomeen Jacques Anquetil, formidabel tijdrijder die de eerste renner werd die vijf maal de Tour de France won. Drie jaar later stapte er nog zo’n uitzonderlijk talent in de schijnwerpers. Roger Rivière deed als tijdrijder nauwelijks voor Anquetil onder en hij was direct de lieveling van het Franse wielerpubliek. Hij debuteerde bij de profs met een regenboogtrui in de achtervolging, een wereldkampioenschap dat destijds nog in hoog aanzien stond bij de beste profs van de wereld. Een jaar later verbeterde hij met speels gemak het werelduurrecord met ruim 600 meter. Dat record stond op naam van de Italiaan Ercole Baldini. Het is niet vaak voorgevallen dat een recordhouder zijn eigen toptijd te lijf gaat, maar Rivière deed dat wel en hij stelde het in 1958 nog eens 400 meter scherper. Beide keren op de Milanese Vigorellibaan. Zijn eerste grote succes op de weg was het winnen van de Ronde van Europa, destijds een nieuw initiatief om de macht van de Tour wat in te perken en de voordelen van de nog prille Europese Gemeenschap (nog maar met 6 landen) te onderstrepen. Die ronde stierf een snelle dood, maar wel met Roger Rivière op de korte erelijst. In 1959 debuteerde het wonderkind uit Saint Etienne in de Tour de France en het werd direct een vierde plaats in het eindklassement. Een jaar later stond hij aan de start als een van de grootste favorieten en hij leek aan de verwachtingen te gaan voldoen, toen hij op 10 juli 1960 een duel om de gele trui aanging met de Italiaan Gastone Nencini, een van de beste dalers uit de wielergeschiedenis. In zijn ambitie om de als een steen naar beneden vallende Italiaan in de afdaling van de Col de Perjuret te volgen, nam Rivière iets te veel risico en hij viel 10 meter diep in het ravijn. Met een dubbele wervelbreuk belandde de ongelukkige coureur in het ziekenhuis en daar konden ze niet zoveel meer voor hem doen. Hij was grotendeels verlamd en hij kon zich nog slechts voortbewegen in een rolstoel. Door de verschrikkelijke pijnen die hij leed raakte hij verslaafd aan morfine. De rest van zijn korte leven was triest. Hij raakte aan lager wal en de zestien jaar dat hij nog heeft geleefd moeten een hel zijn geweest. Een enkele keer kan de verschrikkelijke ziekte kanker echter een verlosser zijn.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 23 februari 2007 0:00

HET RIJWIEL, ZIJN GESCHIEDENIES EN SAMENSTELLING
 

door J. Paloque

 

“Dit is een heel bijzonder boekje, want het is één van de oudste in mijn verzameling. Het dateert uit 1897. Het heeft voor mij een speciale betekenis omdat ik het cadeau heb gekregen van de Belgische wielerjournalist Jos Van Landeghem, die tientallen jaren voor Het Laatste Nieuws heeft gewerkt. Ik heb jaren met Van Landeghem gecorrespondeerd en hem diverse malen in zijn  woning in Wilrijk bezocht en al bij mijn eerste bezoek kreeg ik dit boekje. Het is vertaald uit het Frans (naar het Fransch, staat op het omslag) en oorspronkelijk geschreven door ene monsieur J. Paloque, Kapitein der Artillerie en Voorzitter van den Militaire Wielrijdersbond te Parijs. Dus geen man om de spot mee te drijven, maar misschien wel de wielersport. Het boekje is in het Nederlands verschenen met ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 22 februari 2007 10:00

Philippe GAUMONT (1973, Frankrijk)

Deze renner uit Amiens had veel talent en hij begon zijn loopbaan als beroepsrenner met zeges in de Vierdaagse van Duinkerken en de Tour de l’Oise. Een jaar later won hij de klassieker Gent-Wevelgem en zijn naam was gevestigd. Maar in 1998 begon de ellende toen hij op doping werd betrapt, samen met ploeggenoot Frank Vandenbroucke. Voor beide begon hier een lange reeks van incidenten, ontkenningen, schorsingen, terwijl de prestaties steeds minder werden. Gaumont ontkende dealer te zijn en hij voelde zich ook geen crimineel. En passant beschuldigde hij het gehele profpeloton van gestructureerd dopinggebruik. Het was allemaal niet fris en toen hij in 2004 opnieuw betrapt werd, nu samen met ploeggenoot David Millar, werd hij bij Cofidis ontslagen. Hij zette direct een punt achter zijn carrière en begon aan een boek waarin hij alles zou openbaren. Dat heeft hij in ‘Prisonnier de dôpage’ inderdaad gedaan en het geschrift wemelt van de namen van renners die gebruiken en artsen en verzorgers die het toedienen. Die reageerden als door een wesp gestoken en als alle rechtzaken doorgaan die zijn toegezegd dan staat Gaumont voor de rest van zijn leven in het beklaagdebankje. Volgens mij is er sindsdien echter niets gebeurd. Niet alleen is Gaumont nog niet in een gerechtsgebouw gesignaleerd, maar de autoriteiten doen er ook het zwijgen toe. Misschien dat jonge renners nog wat aan het boek hebben, want ze kunnen daarin gedetailleerd lezen hoe je bijvoorbeeld huidallergieën kunt simuleren om daarvoor medicijnen te krijgen die als nevenwerking het gebruik van cortisonen maskeren. Als je het allemaal leest dan kom ik maar tot één verklaring waarom we niets meer van Gaumont hebben vernomen. Hij is vanwege zijn grote kennis van farmaceutica apotheker geworden, in zo’n anoniem klein Frans dorp, waar alleen verdwaalde toeristen en trainende wielrenners doorheen komen. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 22 februari 2007 0:00

 

© Henk Theuns

“Een paar weken geleden was ik in Luxemburg bij goede vrienden en die vertelden me dat ze voor mij het adres hadden bemachtigd van Bim Diederich en dat was daar vlak in de buurt. Het zei me niets, want Diederich is een bekende Luxemburgse wielrenner geweest in de jaren vijftig, en dat was voor mijn tijd. Ik kreeg het adres en nog diezelfde dag belde ik bij hem aan. Ik werd allerhartelijkst ontvangen door een hoogbejaarde man die met zijn echtgenote in een leuk bungalowtje woont. Hij vertelde me in dat moeilijke Luxemburgse taaltje over zijn leven. Voorzover ik het verstaan heb was hij een ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 21 februari 2007 10:00

Roberto HERAS HERNANDEZ (1974, Spanje)

Op 18 juli 2000 beleefde Roberto Heras in de Tour de France een superdag. Een van de weinige want de Spanjaard is niet zo’n renner voor de Tour. Behalve in 2002, maar toen was hij de meesterknecht van Lance Armstrong. Ondanks inspannend knechtenwerk eindigde hij als 9e in Parijs. In 2000 was hij ook goed. Een 5e plaats in het eindklassement en dan die etappe van Courchevel naar Morzine op 18 juli. Heras reed toen nog niet voor Armstrong die dat jaar bezig was aan zijn tweede Tourzege. Hij stond toen al aan de leiding en had veel last van een hijgende Ullrich in zijn nek. De Duitser was die dag sterk, net als Virenque en Heras. Armstrong had een slechte dag, de enige in zijn zevenjarige Tourreeks. Hij loste uit de kopgroep, waaruit Heras toen al was ontsnapt op weg naar de etappewinst. Virenque ging achter de Spanjaard aan en gezamenlijk reden ze naar de finish. Op enkele kilometers voor het einde miste Heras een bocht en hij dook de diepte in. Hij werd opgevangen door een draadhek, dat verdere ongelukken voorkwam. Sindsdien heet hij voor de Nederlanders en de Vlamingen Heras Hekwerk. In de overige Tours reed hij ver onder zijn niveau, en hij is misschien wel een typische renner voor de Vuelta. Die won hij al vier keer, maar zijn zege in 2005 moest hij afstaan aan Denis Menchov van Rabobank. Hij was al zeker van de overwinning toen hij in de laatste tijdrit positief bleek op epo. Een vergelijking met Landis dringt zich op en ik heb een theorie. Er zijn prachtige schema’s ontwikkeld, waarbinnen renners geheel volgens plan van bloed kunnen wisselen om de controles te vernaggelen en toch de voordelen van verrijkt bloed te hebben. Alleen is er geen mens fysiek gelijk en dat is het probleem, denk ik. De theorie klopt niet met de praktijk. Ieder mens reageert lichamelijk anders op die medicamenten. Als de artsen daar een oplossing voor vinden is het hek van de dam. Misschien kan Heras Hekwerk er dan nog wat aan verdienen? (Foto: © Cor Vos)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 21 februari 2007 0:00

 

“Eigenlijk hoort deze fiets niet in mijn verzameling thuis, want het is geen racefiets. Maar deze Dursley-Pedersen is zo bijzonder dat ik hem enthousiast heb gekocht toen ik de kans kreeg. De geschiedenis van deze fiets is de geschiedenis van Mikael Pedersen (1855-1929), een Deense uitvinder die door zijn werk in de zuivelindustrie in het Engelse stadje Dursley terechtkwam. Van het gemeentebestuur kreeg hij het verzoek een brug over de rivier te ontwerpen die niet veel mocht wegen, omdat de oevers aan weerszijden nogal drassig waren. Pedersen dook achter zijn tekentafel en kwam na verloop van tijd op de proppen met een revolutionaire driehoeksconstructie. Een superlichte zelfdragende brug. Het prachtige ontwerp is als zovele mooie ontwerpen nooit uitgevoerd.
Jaren later kwam hij de tekening weer eens tegen, keek er langdurig naar en bedacht toen dat ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 20 februari 2007 10:00

Charles PÉLISSIER (1903, overleden 28.05.1959, Frankrijk)

Charles Pélissier was de populairste renner die Frankrijk ooit heeft voortgebracht. Raymond Poulidor kwam na de tweede wereldoorlog in de buurt, maar anders. In een tijd dat de televisie nog moest worden uitgevonden lag het hele Franse volk aan de voeten van Charlot. Hij was een goede renner, maar niet zo goed als zijn twee oudere broers Henri en Francis. Het was een enorme ijdeltuit met de uitstraling van een filmster. Hij werd Brummel genoemd naar Beau Brummel alsook Valentino, naar de beroemde filmster uit de tijd van de stomme film. Rudolf Valentino was de mooiste man van het witte doek en toen hij op jonge leeftijd stierf hebben honderden vrouwen over de hele wereld zich spontaan van kant gemaakt. Charles Pélissier was ook een heel mooie man en hij was bovendien een winnaarstype. Zo won hij in de Tour de France van 1930 acht etappes, een record dat nooit is verbeterd, maar wel twee keer (Merckx en Maertens) is geëvenaard. Pélissier was heel veelzijdig, want behalve op de weg reed hij ook als veldrijder en betwistte hij heel wat zesdaagsen. Hij onderging de verschrikkingen van de ouderwetse zesdaagse (144 uur vrijwel aan één stuk op de fiets) even manmoedig als zijn collega’s, maar in de schaarse uren van rust had hij een heel gevolg bij zich om hem en zijn fiets te verzorgen. Kees Pellenaars was zo’n collega die na het uitvallen van de vaste maat van Pélissier in de Zesdaagse van Parijs 1938 eens aan de Fransman werd gekoppeld. Pierre Huyskens vertaalde de indrukken van d’n Pel over Pélissier als volgt: ‘Een grand seigneur met een bijzondere hofhouding, 52 schone truitjes in zijn koffer, zijn gezicht mocht niet worden gewassen, maar werd gedipt en gebet, zijn toastjes werden in een servetje verpakt en zijn edele lid werd op vastgestelde plastijden door een butler met een paardenkop en handschoenen aan ter behoeftedoening plechtig uit de broek gehaald.’ Bij de eerste aflossing ging het al mis, want Pélissier kreeg een klapband. Pellenaars greep hem in zijn nekvel en voorkwam dat de publiekslieveling voor het oog van zijn vele supporters en aanbidders een doodsmak maakte. Diezelfde avond kwam de butler hem als dank een envelop brengen met daarin 10.000 francs. Die butler zou later minstens zo beroemd worden als zijn meester, want hij heette Fernand Contandin, beter bekend als de grote filmkomiek Fernandel.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 20 februari 2007 0:00

“Mijn historische zesdaagse van vandaag eindigde op 19 februari 1982. De Zesdaagse van Milaan werd gewonnen door René Pijnen. Als koppelgenoot had hij dit keer niet Francesco Moser, maar een andere Italiaanse vedette als maat, namelijk Giuseppe Saronni. Saronni won in zijn loopbaan slechts twee zesdaagsen en allebei in Milaan. In 1980 met Patrick Sercu en twee jaar later dus met René Pijnen. Je kunt het slechter treffen met je maatjes. In februari 1977 - Saronni was toen pas 19 jaar - maakte hij zijn profdebuut in de Zesdaagse van Milaan. Samen met de Duitser Günther Haritz werd hij achtste. Winnaars waren de Italiaan Felice Gimondi en de Belg Rik Van Linden. Niet bepaald een combinatie die je een winst in een Six zou toedichten. Evenals Saronni won ook Gimondi in zijn rijke loopbaan slechts twee zesdaagsen en ook allebei in Milaan en voor Van Linden is het ook zijn enige zesdaagsezege geweest.
In 1982 werden Moser-Sercu tweede en Bidinost-Freuler derde. In het veld van maar liefst 18 koppels zat nog een landgenoot. De Tukker Herman Ponsteen werd met de Italiaan Maurizio Orlandi achttiende en laatste, op 28 ronden van de winnaars.
Ook Milaan onderging het lot van zovele zesdaagsen, want op 13 februari 1999 werden de Italianen Silvio Martinello en Marco Villa (foto © Cor Vos) gehuldigd als de laatste winnaars. Ons huidige superkoppel Slippens-Stam - sinds kort gelukkig weer herenigd - moest in 1999 duidelijk nog wennen aan het milieu want ze eindigden als twaalfde op maar liefst 32 ronden achter de winnaars.

Het hout van de befaamde Milanese Vigorellipiste was eerder in Rome gebruikt en in de jaren dertig vanuit naar Milaan overgebracht. Dus op hetzelfde hout waarop in 1932 de wereldkampioenschappen in Rome waren gehouden, werd van 27 augustus tot 2 september in Milaan het WK 1939 verreden. Althans gedeeltelijk, want ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 19 februari 2007 10:00

Jean-Marie CIELESKA (1928, overleden 05.05.1998, Frankrijk)

De afgelopen jaren heeft de vaderlandse politiek sterk in het teken gestaan van het integratievraagstuk. Dat we op de goede weg zijn bewijst het feit dat in het nieuwe kabinet van Balkenende twee staatssecretarissen zitten met uitheemse namen. Dat is voor mij het enige onderscheid met de rest, want het zijn ongetwijfeld bekwame mensen die voor hun nieuwe taak berekend zijn, anders had JP ze niet geaccepteerd. Nieuwe medelanders zijn er altijd geweest ook in andere landen. België dankt er coryfeeën met een Italiaanse achtergrond aan als Rocco Granata (Marina), Adamo (Vous permettez monsieur) en de wielrenner Pino Cerami en Frankrijk importeerde in het verleden nogal wat Polen om het werk te doen dat gedaan moest worden. Ze werden met achterdocht bekeken, maar voor iedereen is oud-wereldkampioen Jean Stablinski een autochtone Fransman, net als Madame Curie en Tourwinnaar Roger Walkowiak. De derde destijds beroemde wielrenner van Poolse komaf was Jean-Marie CIELESKA. Geboren in 1928 en overleden op 5 mei 1998. Jean-Marie was winnaar van Bordeaux-Parijs 1958 en dat maakt ook hem tot een echte Franzoos. Maar dat is alles wat ik van deze man weet. Daarom maar eens verder gezocht onder de jarigen van vandaag. Ze hebben allemaal wel iets, maar niet genoeg om er een stukje over te schrijven. Neem de Italiaan …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 19 februari 2007 0:00

« Vorige 1 2 3 4 5 6 Volgende »