
© Hans Middelveld
Ik denk dat de toenmalige stadiondirecteur Bessems – of was het nog Van den Berg – diep in de buidel heeft moeten tasten om dit deelnemersveld aan de start te krijgen voor de zogeheten kleine Tour de France wedstrijden op zijn betonnen piste. Tien dagen na de finish van de echte Tour in Parijs stonden zeven van de eerste tien van het eindklassement aan het vertrek in Amsterdam. Helaas zonder de winnaar Fausto Coppi, maar wel met Gino Bartali (2e), Jacques Marinelli (3e), Jean Robic (4e), Jacques Dupont (5e), Stan Ockers (7e), Sjeng Goldschmidt (8e) en Apo Lazarides (9e). Onder de overige deelnemers namen als Ferdi Kübler, die een ...
Lees meer...



klassementsrenners die België op dit moment rijk is. Hij is afkomstig uit de opleidingsploeg Vlaanderen van Roger Swerts. In dienst van deze bescheiden ploeg won hij de Grote Prijs Isbergues en het Circuit Franco-Belge. Zware koersen die de jonge Aerts goed aankon. Hij kan redelijk bergop en men was dan ook niet verbaasd toen hij verrassend debuteerde in de Tour van 1999 waar hij tweede werd in het jongerenklassement. Maar de progressie zette helaas niet door en hij was al min of meer voor het grote werk afgeschreven toen hij in 2002 de Waalse Pijl won. Het was zijn mooiste overwinning en tevens zijn laatste. Van Lotto-Adecco transfereerde hij in 2003 naar Team Telekom, dat een jaar later T-Mobile zou gaan heten. In die cultuur voelde de rustige en bescheiden Vlaming zich niet thuis en het waren twee bedroevende seizoenen. Dit jaar was hij weer terug in Belgische dienst en wel bij zijn oude ploeg die nu Davitamon-Lotto heet. Hij reed dit jaar een anonieme Tour de France ver in de achterhoede en met zijn eindklassering als 106e zal hij zijn supporters bepaald niet blij hebben gemaakt. Hij heeft natuurlijk in dienst gereden van zijn kopman Cadel Evans, maar iets van zijn grote mogelijkheden had ik wel willen zien. Al was het maar één dag. Misschien dat het volgend jaar beter gaat. (Foto: © Cor Vos)
Zijn ouders vernoemden hem naar het grote gezinsidool Constant (Stan) Ockers, de Antwerpse sinjoor die in zijn tijd minstens zo populair was als Tom Boonen nu. Een volksheld als zijn naamgever is Stan Tourné bij lange na niet geworden, maar hij werd wel een prominente baanrenner, met de zesdaagse als voornaamste werkterrein. Hij was in de nadagen van Patrick Sercu een degelijke en leergierige koppelgenoot en hij bracht zijn eigen ervaring met passie over op Etienne De Wilde, toen die na een succesvolle wegcarrière op de piste overstapte. De prestaties van Tourné als zesdaagsecoureur halen het niet bij zijn partners, want Sercu won er 88, De Wilde 31, terwijl Tourné bleef steken op 7 uit bijna 200 starts. Hij overtrof wel de zo door zijn vader bewierookte Stan Ockers, die vier maal een zesdaagse won. Maar Ockers was een toprenner op de weg die o.a. wereldkampioen was en twee keer tweede werd in de Tour de France. Stan Tourné was in tegenstelling tot Ockers, Sercu en De Wilde dan ook geen winnaarstype, maar wel een gewaardeerde kracht op de winterbaan. Om daarin echt te excelleren ontbeerde hij zuivere snelheid. Hij was meer een tempomaker die het spel op de wagen hielp en hield. Hij was misschien ook van te veel markten thuis om ergens specifiek in uit te blinken. Hij was een redelijk kermiskoerser, hij was twee keer wereldkampioen in de puntenkoers, een keer bij de amateurs en een keer bij de profs. Hij was Europees kampioen achter de derny en hij was ook nog een goede stayer, die voor zijn land twee keer tweede en een keer derde was bij het WK en twee keer derde in het Europees kampioenschap. Als we stoppen met vergelijken, dan mogen we vaststellen dat Stan Tourné een goede renner is geweest die het optimale uit zijn carrière heeft gehaald. Een aantal weken geleden was hij nog even in het nieuws omdat hij er met zijn neus bovenop zat toen Isaac Galvez te pletter sloeg op de balustrade van het Gentse Kuipke. Hij maakte zich toen erg kwaad op de hulpverlening die zich aanvankelijk drukker maakte om Dimitri Defauw, dan om de ongelukkige Spanjaard. (archief Wim van Eyle)
de Nederlandse wielergeschiedenis, maar ik heb toch het gevoel dat er veel meer had in gezeten. Natuurlijk is tien etappes winnen in de drie grote ronden (vier in de Tour, vier in de Vuelta en twee in de Giro) niet niks, maar als hij meer killer was geweest dan had hij veel meer gewonnen. Alle grote sprinters gaan voor de overwinning en als dat er om de een of andere reden niet in zit, gaan ze voor de tweede plaats, of de derde of de tiende. Jeroen was een van de weinige echte spurters die als hij op honderd of vijftig meter voor de finish zag dat de eerste plaats er niet in zat direct de benen stilhield. Hij werd dan tachtigste of zo. Ik denk dat dat een fout was. Je moet het altijd proberen, want in zo’n hectische massasprint kan van alles gebeuren. Er kan een valpartij plaatsvinden, waar je van kan profiteren. En als je het net niet haalt kan een tweede plaats ook moraal geven. Niet alleen aan de sprinter zelf, maar ook aan zijn ploegmaats die de hele dag voor hem hebben gewerkt. Een tweede of derde plaats kan dan het gevoel geven dat al dat werken toch niet helemaal voor niks was. Kritiek op die houding kon hij slecht verdragen en daarom had de kleine man uit Rijen een moeizame verhouding met veel vertegenwoordigers van de pers. En soms ook met collega renners. Zo herinner ik me een incident met Bobby Julich. Blijlevens ging toen een ordinaire vechtpartij aan met de Amerikaan en daarmee diskwalificeerde hij zich zelf. Zijn beste jaren had hij bij TVM, die gemoedelijke formatie van Cees Priem waar de renners vrienden waren en voor elkaar wilden werken. Door de Tour van 1998 is die ploeg opgeblazen en Jerommeke verdween naar de Italiaanse Polti-ploeg. Ze wilden daar een andere renner van hem maken, eentje die de grote ronden ook kon uitrijden. Het lukte, want hij kwam redelijk de bergen over, maar hij was gelijk geen grote sprinter meer. (Foto: © Cor Vos)
is uitgekomen. Dat kwam omdat er altijd een kopman was die boven hem uit stak. Hij koerste eerst in dienst van Poulidor en daarna van Merckx. Dan weet je dat je van je eigen ambities moet afzien, omdat de mogelijkheden om zelf kopman te worden beperkt zijn. Toch reed Swerts een mooie palmares bij elkaar met zeges in het kampioenschap van België en klassiekers als Gent-Wevelgem en het Kampioenschap van Zürich. Hij won voorts ook de Ronde van België en een hele reeks kleinere koersen. De uit Heusden (Belgisch Limburg) afkomstige renner was een sterke tijdrijder die de Grote Landenprijs won en samen met Merckx de Trofeo Baracchi. Hij startte meerdere malen in alle drie de grote ronden. Een veertiende plaats in de Tour, een zestiende in de Giro en een negende in de Vuelta waren zijn beste prestaties. Hij was veertien jaar beroepsrenner en nadat hij afscheid had genomen werd hij ploegleider bij sterke profploegen. In 1990 was er geen plaats meer voor hem, maar in 1994 werd hij gevraagd om met zijn grote ervaring leiding te geven aan de ploeg Vlaanderen-t Interim, een opleidingsformatie gefinancierd door de Vlaamse overheid om jonge coureurs aan een springplank te helpen om bij een grote ploeg te kunnen komen. De opzet slaagde wonderwel en later succesvolle renners als Stijn Devolder, Wim Van Huffel en Frederik Willems leerden het vak bij Swerts. Met dat alles zit Roger Swerts al meer dan veertig jaar in het vak en ik heb geen idee hoe lang hij nog door wil gaan. Hij heeft er zo te zien nog best plezier in.
kampioen uit het verleden 68 jaar en gisteren werd hij door ‘onze Theo’ gespot bij een cross in het Noord-Limburgse Blerick. Geen mens weet meer wie hij is en dat intereseert hem ook niks. Hij is er voor zijn pupillen en hij zat tevreden op de bovenbuis van zijn fiets toen zijn pupil Lucas Wallenhaupt als winnaar werd gehuldigd in de categorie 11- en 12-jarigen.